← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2017:1888

14/7151 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2014, 12/3823 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) CIZ Datum uitspraak: 24 mei 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld. CIZ heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart

  1. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Gruijl. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.R. Kater. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. CIZ heeft appellante bij besluit van 14 april 2010 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor persoonlijke verzorging, klasse 5, voor de periode van 14 april 2010 tot en met 13 april
  4. Appellante heeft op 14 februari 2012 een aanvraag ingediend om verlenging en uitbreiding van deze indicatie. 1.
  5. CIZ heeft deze aanvraag bij besluit van 21 februari 2012 afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.
  6. Bij besluit van 17 juli 2012 (bestreden besluit 1) heeft CIZ het bezwaar ongegrond verklaard. 1.
  7. Bij tussenuitspraak van 10 oktober 2013 heeft de rechtbank CIZ in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak en met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, het gebrek in bestreden besluit 1 te herstellen. 1.
  8. Bij besluit van 13 mei 2014 (bestreden besluit 2) heeft CIZ bestreden besluit 1 ingetrokken, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en appellante geïndiceerd voor persoonlijke verzorging, klasse 5, voor de periode van 14 februari 2012 tot en met 21 mei
  9. CIZ heeft overwogen dat appellante niet in aanmerking komt voor de functies begeleiding individueel en begeleiding groep.
  10. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
  11. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 3.
  12. Ter zitting is namens appellante desgevraagd verklaard dat zij nog belang heeft bij beoordeling van het hoger beroep omdat appellante ten onrechte niet is geïndiceerd voor alle zorg waar zij om heeft verzocht en zij hierdoor schade heeft geleden in de vorm van gederfd levensgenot.
  13. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  14. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. 4.
  15. Het geschil betreft de juistheid van een reeds verstreken indicatie op grond van de AWBZ. De uitkomst van het hoger beroep kan in dit geval geen betekenis hebben voor de toekomst, omdat de AWBZ met ingang van 1 januari 2015 is ingetrokken en appellante inmiddels is geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. Dit betekent dat zij daaraan geen procesbelang kan ontlenen. Appellante heeft haar stelling dat immateriële schade is geleden onvoldoende onderbouwd. Dat schade is geleden is daarom niet op voorhand aannemelijk. Dit betekent dat ook daaraan geen procesbelang kan worden ontleend. 4.
  16. Uit wat in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
  17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei
  18. (getekend) R.M. van Male (getekend) B. Dogan KP

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.