17/3229 AOW-VV, 17/3230 AOW-VV Datum uitspraak: 13 juni 2017 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [Verzoeker 1] (verzoeker 1) en [verzoeker 2] (verzoeker 2), beiden te [woonplaats] de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) PROCESVERLOOP Verzoekers hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2016, 16/1761 en 16/2683 (aangevallen uitspraak) en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. OVERWEGINGEN
- De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Bij afzonderlijke besluiten van 11 augustus 2015, gehandhaafd bij afzonderlijke besluiten van 29 januari 2016 (bestreden besluiten), heeft de Svb het ouderdomspensioen van verzoeker 1 op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 3 april 2015 herzien naar de norm voor gehuwden en van verzoeker 2 met ingang van 1 augustus 2015 voorlopig herzien naar deze norm.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
- Verzoekers hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Verzoekers hebben aan dit verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Als gevolg van de herziening van hun AOW-norm is de Svb overgegaan tot terugvordering van verzoekers van een bedrag van in totaal € 9.673,93 en heeft de Svb verzoekers verzocht om in verband hiermee een aflossingsregeling te treffen. Nu de Svb tot invordering wil overgaan, terwijl als gevolg van het ingestelde hoger beroep nog niet duidelijk is of de bestreden besluiten in stand blijven, hebben verzoekers er belang bij dat niet tot invordering zal worden overgaan in afwachting van de uitkomst van het ingestelde hoger beroep.
- De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ingevolge artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.
- Uit de functie van artikel 8:81 van de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat besluit (materiële connexiteit). 4.
- Het verzoek om voorlopige voorziening strekt tot schorsing van de invordering van de Svb totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure. 4.
- In dit geval voldoet het verzoek om een voorlopige voorziening niet aan het materiële connexiteitsvereiste. Zoals onder 1.1 vermeld is enkel de herziening van de AOW-norm onderdeel van het geschil in de bodemprocedure. De terugvordering noch de invordering maken hiervan deel uit. Dit betekent dat de gevorderde voorlopige voorziening geen betrekking heeft op het - connexe - in de bodemprocedure voorliggende geschil. 4.
- Het verzoek is, gelet op 4.2 tot en met 4.4, kennelijk niet-ontvankelijk, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni
- (getekend) A.B.J. van der Ham (getekend) R.B.E. van Nimwegen HD