155908 WWB, 15/5909 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2015, 14/8406 en 14/8841 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 1 augustus 2017 PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. N. van Bremen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2017. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keyser. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellanten ontvangen sinds 1 februari 1997 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), in aanvulling op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. 1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellanten mogelijk in het bezit zouden zijn van een eigen woning in Turkije, hebben medewerkers van de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (ABO) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dit kader hebben de medewerkers van ABO op 31 januari 2013 een gesprek met appellant gevoerd, waarbij deze heeft verklaard dat zijn in 1995 overleden vader een woning in [adres 1] te Turkije (woning) heeft laten bouwen, welke woning een erfstuk is dat nog niet is verdeeld. Uit nadien door appellant bij ABO ingeleverde stukken, waaronder een tapu senedi van 17 april 2003 en een verklaring van 5 februari 2013 van het dorpshoofd, [dorpshoofd] , is gebleken dat de woning sinds 17 april 2003 op naam van appellant staat geregistreerd. 1.3. Naar aanleiding hiervan heeft een medewerker fraudemeldingen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht een onderzoek in te stellen naar het vermogen van appellanten in Turkije. Het IBF heeft het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Ankara (Bureau) verzocht om dit onderzoek te doen. Uit onderzoek van het Bureau is gebleken dat de woning een getaxeerde waarde heeft van € 3.636,- en dat eveneens sinds 17 april 2003 op naam van appellante zes percelen landbouwgrond staan geregistreerd bij het dorp [adres 1] , met een totale oppervlakte van 41.174,16 m2 en een waarde van € 29.945,- (landbouwgronden). Uit aanvullend onderzoek van het Bureau is gebleken dat sinds 4 april 2008 op naam van appellant een appartement in [adres 2] , staat geregistreerd bij de afdeling onroerende zaakbelasting van de gemeente [gemeente] met een getaxeerde waarde van € 42.623,- (appartement). Naar aanleiding van de bevindingen van het Bureau heeft de sociale recherche van de gemeente Rotterdam nader onderzoek gedaan. In dit kader zijn appellanten op 21 maart 2014 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 maart 2014. 1.4. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 11 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2014 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten over de periode van 1 april 2008 tot en met 31 juli 2013 te herzien (lees: in te trekken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 49.743,92 van appellanten terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten, door niet aan het college te melden dat zij vermogen hebben boven het voor hen geldende vrij te laten vermogen, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden met als gevolg dat zij geen recht hebben op bijstand. 1.5. Bij besluit van 26 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college appellanten wegens schending van de inlichtingenverplichting een boete opgelegd van € 36.115,74. Daarbij is het college voor de mate van verwijtbaarheid uitgegaan van opzet. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 26 juni 2014 herroepen en de boete vastgesteld op (afgerond) € 5.640,-. In dit kader heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754, overwogen dat het met ingang van 1 januari 2013 geldende boetestelsel ertoe leidt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode vóór en de periode na 1 januari 2013. Hierbij heeft de rechtbank de boete over de eerste periode vastgesteld op € 1.336,87 en de boete over de tweede periode op € 4.296,62. De rechtbank is voor de mate van verwijtbaarheid eveneens uitgegaan van opzet. 3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Intrekking en terugvordering (15/5909 WWB) 4.1. Het college heeft de bijstand van appellanten over de periode van 1 april 2008 dan wel 4 april 2008 tot en met 31 juli 2013 ingetrokken. Desgevraagd heeft het college ter zitting te kennen gegeven dat de intrekkingsperiode is beperkt tot de periode van 4 april 2008 tot en met 18 juli 2013. Dit betekent dat de hier te beoordelen periode loopt van 4 april 2008 tot en met 18 juli 2013. 4.2. Een besluit tot intrekking van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust. 4.3. Appellanten betwisten dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Appellanten voeren aan dat zij destijds niet waren betrokken bij de formele overdracht van de landbouwgronden en dat zij er niet van op de hoogte waren gebracht dat deze gronden op naam van appellante stonden. Voorts voeren zij aan dat, waar het gaat om de woning en het appartement, sprake is van gedeelde eigendom, zodat zij redelijkerwijs niet over dit (gehele) vermogen konden beschikken. 4.4. Vaststaat dat de woning en de landbouwgronden in het kadaster in Turkije en het appartement bij de afdeling onroerende zaakbelasting van de gemeente [gemeente] gedurende de te beoordelen periode op één dan wel beide de namen van appellanten stonden geregistreerd. Niet in geschil is dat de totale oppervlakte van de landbouwgronden 41.174,16 m2 bedroeg. 4.5. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd, is volgens vaste rechtspraak de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. 4.6. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Appellanten hebben niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet redelijkerwijs konden beschikken over het appartement, de woning en de landbouwgronden. De stellingen van appellanten dat zij niet betrokken waren bij de formele overdracht van de landbouwgronden en dat zij er niet van op de hoogte waren gebracht dat deze landbouwgronden op naam van appellante stonden, worden weersproken door de verklaring die appellante op 21 maart 2014 tegenover de sociaal rechercheur heeft afgelegd. Appellante heeft, na confrontatie met de onderzoeksbevindingen, verklaard dat de landbouwpercelen van haar vader zijn geweest, dat vijf jaar geleden in het dorp is besloten dat alles op haar naam gezet moest worden en dat haar moeder dat heeft gedaan. De stelling dat, waar het gaat om de woning en het appartement, sprake is van gedeelde eigendom, houdt geen stand, reeds door het feit dat appellanten deze stelling niet, althans niet voldoende hebben onderbouwd. De enkele verwijzing in dit verband naar de in 1.2 bedoelde verklaring van het dorpshoofd, erop neerkomend dat de woning na het overlijden van de vader van appellant aan de gehele familie toebehoort, is daartoe ontoereikend. Deze verklaring vindt geen steun in de overige gedingstukken. 4.7. Vaststaat dat appellanten het college niet (onverwijld) hebben gemeld dat zij de woning, de landbouwgronden en het appartement in eigendom hadden. Omdat het hun redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze gegevens van invloed konden zijn op (de omvang van) hun recht op bijstand, hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. De beroepsgrond van appellanten dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, slaagt dan ook niet. 4.8. Voor de waarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.