← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2017:2711

15/8470 WSF Datum uitspraak: 26 juli 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 november 2015, 15/898 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december

  1. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. McKernan, kantoorgenoot van mr. Bergmans-Jeurissen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Op 25 januari 2017 heeft de Raad een tussenuitspraak gegeven, ECLI:NL:CRVB:2017:
  2. De minister heeft bij brief van 21 april 2017 medegedeeld dat de OV-schuld komt te vervallen. Bij brief van 18 mei 2017 heeft appellante meegedeeld zich te kunnen verenigen met het vervallen van de OV-schuld. Appellante wenst nog wel een uitspraak van de Raad ter zake van het oordeel van de rechtbank over teveel ontvangen studiefinanciering. OVERWEGINGEN 1.
  3. Voor een uitgebreide weergave van de feiten verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak van 25 januari
  4. Volstaan wordt hier met het volgende. 1.
  5. Het geschil tussen partijen beperkt zich nog tot de herziening en terugvordering van het door appellante ontvangen bedrag aan studiefinanciering vanaf augustus
  6. In de tussenuitspraak is overwogen dat de minister bevoegd was de toegekende studiefinanciering met ingang van 1 augustus 2014 te herzien. 1.
  7. Uit 1.2 volgt dat het hoger beroep gericht tegen de herziening en terugvordering van studiefinanciering niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.1 van de tussenuitspraak, kan hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent het niet ingeschreven staan bij de onderwijsinstelling niet tot het oordeel leiden dat de minister niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken.
  8. Omdat de minister gedeeltelijk aan appellante is tegemoetgekomen bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling in beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 990,- aan kosten voor rechtsbijstand in beroep en € 990,- aan kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.980,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.980; bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli
  9. (getekend) J. Brand (getekend) N. van Rooijen AB

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.