← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2017:3164

16/1784 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 februari 2016, 15/2617 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college) Datum uitspraak: 12 september 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. F.L.J. van Vloten, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni

  1. Namens appellante is verschenen mr. G.J.E. Schoofs, kantoorgenoot van mr. Van Vloten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Benning-Hellenbrand. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellante ontvangt sinds 13 november 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). De inkomsten van appellante uit gastouderopvang worden hierop in mindering gebracht. 1.
  4. Bij beschikking van 25 februari 2015 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen [naam E] (E) en appellante en bepaald dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte echtscheidingsconvenant (convenant) deel uitmaakt van de beschikking. Op 9 maart 2015 is de echtscheiding ingeschreven in de basisregistratie personen. Blijkens het convenant zijn appellante en E onder meer overeengekomen dat zowel de man als de vrouw afstand doet van het recht voor een bijdrage in het levensonderhoud. Uitsluitend indien één der partijen om een sociale uitkering te kunnen verkrijgen genoopt wordt een bijdrage in levensonderhoud te verzoeken aan de andere, gelden deze onderlinge bepalingen niet. 1.
  5. Bij besluit van 7 april 2015 heeft het college op grond van artikel 55 van de PW aan appellante de verplichting opgelegd om van E alimentatie te vorderen omdat zij thans is aangewezen op bijstand. 1.
  6. Bij besluit van 30 juli 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2015 ongegrond verklaard.
  7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  8. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Niet in geschil is dat het college in beginsel bevoegd was appellante ingevolge artikel 55 van de PW de verplichting op te leggen om alimentatie te vorderen van E. 4.
  11. Appellante heeft aangevoerd dat het college in redelijkheid niet van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Volgens appellante heeft de opgelegde verplichting geen zin omdat E niet over draagkracht beschikt om bij te dragen in haar levensonderhoud, gelet op zijn schuldenlast en het beslag op zijn inkomen uit pensioen. Anders dan het college in beroep en hoger beroep stelt, ontvangt E geen inkomsten uit de onderneming [naam onderneming] (onderneming). 4.
  12. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat het schuldenoverzicht dat appellante ter ondersteuning van haar stelling over de schuldenlast heeft overgelegd, onvoldoende is om te oordelen dat E niet over voldoende draagkracht beschikt. Uit dat overzicht noch uit de in hoger beroep overgelegde aanvullende stukken blijkt dat E op de schulden aflost en, zo ja, om welke bedragen het gaat. De stelling dat op de inkomsten uit pensioen beslag ligt, heeft appellante niet met verifieerbare stukken onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat E geen inkomsten uit de onderneming heeft. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de vordering bij voorbaat kansloos is. 4.
  13. In het verlengde van wat in 4.3 is overwogen, liggen in wat appellante heeft aangevoerd evenmin dringende redenen besloten op grond waarvan het college overeenkomstig de Beleidsregels Verhaal Participatiewet 2015 van het opleggen van de verplichting had moeten afzien. 4.
  14. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  15. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R Schut en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september
  16. (getekend) W.F. Claessens De griffier is verhinderd te ondertekenen. HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.