16/7061 AW, 16/7062 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het beroep tegen de besluiten van de korpschef van politie van 13 september 2016 en het verzoek om schadevergoeding Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de korpschef van politie (korpschef) Datum uitspraak: 5 oktober 2017 PROCESVERLOOP Bij uitspraak van 14 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:5104) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 juli 2015, 14/4718, en een besluit van 2 september 2015 vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door de korpschef nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. Bij besluit van 13 september 2016 (besluit 1) heeft de korpschef het bezwaar gegrond verklaard en zijn de drie primaire besluiten gewijzigd. Bij besluit van eveneens 13 september 2016 (besluit 2) heeft de korpschef de functie van [functie 1] (nummer [nummer] ) met ingang van 1 november 2010 op appellant van toepassing verklaard en de waardering van deze functie op salarisschaal 11 vastgesteld. Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, beroep ingesteld tegen de besluiten 1 en 2. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend en appellant heeft een vraag van de Raad beantwoord. De korpschef heeft nog een nadere reactie ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korspchef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen en P. den Hertog. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 2 juli 2015, 13/5070 AW e.v. (ECLI:NL:CRVB:2015:2200), en de (in het procesverloop genoemde) uitspraak van 14 juli 2016. Hij volstaat nu met het volgende. 1.1. Appellant was vanaf 1 september 2003 aangesteld als [functie 2] in de politieregio [regio] met salarisschaal 10. Hij is per 1 november 2010 benoemd en geplaatst als [functie 3] ( [functie 3] ). De toekenning van de functie [functie 3] heeft geleid tot twee aanpassingen in de akte van aanstelling. Tevens heeft de korpschef bij besluit van 24 oktober 2011 de uitgangsposities van appellant voor een functie ten behoeve van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) vastgesteld. Een verzoek van appellant om functieonderhoud van 16 december 2011 is aanvankelijk afgewezen en bij besluit van 21 mei 2014 alsnog toegewezen. Tegen de besluiten tot aanpassing van de akte van aanstelling, de vaststelling van de uitgangspositie voor het LFNP en het functieonderhoud heeft appellant rechtsmiddelen aangewend, die zijn uitgemond in de onder PROCESVERLOOP genoemde uitspraak van de Raad van 14 juli 2016. 1.2. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 14 juli 2016 heeft de korpschef de besluiten 1 en 2 genomen. Met betrekking tot de wijzigingen van de akte van aanstelling vanaf 1 november 2010, de uitgangspositie voor het LFNP en het verzoek om functieonderhoud is aan appellant hierbij - voor zover hier van belang - vanaf 1 november 2010 de functie van [functie 1] ( [nummer] ) toegekend en is deze functie bij het organisatieonderdeel [organisatieonderdeel] aangewezen als uitgangspositie voor het LFNP. In verband met het toegekende functieonderhoud is voor de functie van [functie 1] ( [nummer] ) een functiebeschrijving opgesteld met vaststelling van de waardering op salarisschaal 11.1.3. De beroepen van appellant tegen de besluiten 1 en 2 zijn gericht tegen de beschrijving van de functie van [functie 1] ( [nummer] ). 2. Gelet op wat partijen naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling. Procesbelang 3. De korpschef heeft het procesbelang van appellant in twijfel getrokken, omdat het belang van appellant, die in 2016 met prepensioen is gegaan, beperkt is tot de financiële gevolgen van de matching naar de LFNP-functie die gebaseerd wordt op de bij besluit 1 nader vastgestelde uitgangspositie voor de LFNP-functie. De Raad volgt de korpschef niet. Appellant heeft een voldoende procesbelang, nu hij door middel van deze procedure een verbetering van het vervolgbesluit op de uitgangspositie tracht te bewerkstelligen, waarmee hij een niet gering financiëel voordeel kan bereiken. De functiebeschrijving van [functie 1] ( [nummer] ) 4. De Raad moet beoordelen of de functiebeschrijving van [functie 1] ( [nummer] ) een deugdelijke weergave vormt van de aan appellant vanaf 1 november 2010 opgedragen werkzaamheden. 4.1.1. Appellant ziet als tekortkoming in de functiebeschrijving van [functie 1] ( [nummer] ) dat hierin niet tot uitdrukking komt dat de daarin genoemde “complexe projecten” de opsporing betreffen. Zijn plaats in de organisatie was en moet dus zijn de Divisie Recherche en het Team Regionale Recherche. Appellant heeft verwezen naar de bewoordingen in enkele geschriften. Ter zitting heeft appellant verduidelijkt dat hij als [functie 1] vanaf 1 november 2010 niet zelf opsporingswerkzaamheden verrichtte, maar dat zijn werkzaamheden wel vielen onder de terminologie ‘politiële beleidsvorming en ondersteuning of politiële (administratieve) ondersteuning’. Deze bewoordingen ontleent appellant aan paragraaf 3.2.4 van de Handleiding uitvoering matching met het oog op de positionering van een functie in het domein Uitvoering dan wel het domein Ondersteuning in het kader van de toekenning van een LFNP-functie. Appellants belang bij duidelijkheid over de aard van de projecten en de plaats in de organisatie van de werkzaamheden van [functie 3] is gelegen in de toekenning van de juiste LFNP-functie. Hij heeft tot nu toe een LFNP-functie in het domein Ondersteuning gekregen en meent dat zijn werkzaamheden thuishoren in het domein Uitvoering. Ter voorkoming van nog weer een - mogelijk langdurige - gerechtelijke procedure daarover is verduidelijking van de functiebeschrijving noodzakelijk. 4.1.2. De korpschef heeft benadrukt dat de functiebeschrijving van [functie 1] ( [nummer] ) een korpsfunctie betrof en niet een latere LFNP-functie. In het kader van appellants belang bij de toekenning van een LFNP-functie in het domein Uitvoering heeft de korpschef ter zitting aangegeven, dat de vermelding van de plaats in de organisatie, [plaats in de organisatie] , zoals opgenomen in de functiebeschrijving [functie 1] ( [nummer] ) in wezen niet van belang is, omdat het erom gaat of de inhoud van appellants werkzaamheden als [functie 1] vanaf 1 november 2010 tot het domein Uitvoering behoort dan wel tot het domein Ondersteuning. 4.1.3. Vanwege de opvatting van de korpschef over de vermelding van de plaats in de organisatie in de functiebeschrijving van de [functie 1] ( [nummer] ) en omdat de korpschef blijkens onder meer zijn brief van 8 juni 2017 aanvaardt dat appellant projecten in de opsporing heeft verricht, zal de Raad bij de beoordeling van de functiebeschrijving van de [functie 1] ( [nummer] ) de daarin opgenomen plaats in de organisatie buiten beschouwing laten. 4.2.1. De functiebeschrijving van [functie 1] ( [nummer] ) heeft betrekking op het tijdvak voorafgaande aan het LFNP-systeem. De bij het LFNP behorende functiebeschrijvingen waren dus niet van betekenis bij de onder 1.1 genoemde besluiten. Toch ziet de Raad aanleiding om bij de beoordeling van de besluiten 1 en 2 rekening te houden met de door appellant genoemde en in de Handleiding uitvoering matching vermelde omschrijving, omdat besluiten van de (rechtsvoorganger van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.