15/6738 WMO, 15/6977 WMO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2015, 14/6040 (aangevallen uitspraak) Partijen: [betrokkene] (betrokkene) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens betrokkene heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting in de zaken 15/6738, 15/6977, 15/6552, 15/6975, 15/6465, 15/7007, 15/7032, 15/7070, 16/3786, 15/7064, 15/7284, 15/7260, 15/7293, 15/7329, 15/7333, 15/7335 en 15/7518 heeft gevoegd plaatsgehad op 12 oktober 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Betrokkene is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel, ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen. 1.2. Betrokkene heeft op respectievelijk 7 januari 2014 en 13 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen de voorwaarden waaronder opvang in het Arkingebouw aan het Surinameplein te Amsterdam (de – voormalige – Jellinek) en de Vluchthaven aan de Havenstraat te Amsterdam (Vluchthaven) is geboden. 1.3. Het college heeft deze bezwaarschriften aangemerkt als aanvraag om opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en deze aanvraag bij besluit van 22 april 2014 afgewezen. 1.4. Bij beslissing op bezwaar van 4 september 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaarschrift van 13 maart 2014 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast is de weigering om aan betrokkene opvang als bedoeld in de Wmo te verlenen, gehandhaafd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 22 april 2014 herroepen en bepaald dat betrokkene recht heeft op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo overeenkomstig de bed-bad-broodvoorziening. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat het college geen dwangsom verschuldigd is wegens niet tijdig beslissen. 3. Betrokkene en het college hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.2 van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3096, begrijpt de Raad het bestreden besluit aldus dat is beslist op zowel de bezwaren van 7 januari 2014 en 13 maart 2014 als op het bezwaar tegen het besluit van 22 april 2014. De Raad begrijpt dat het college het bezwaar van 13 maart 2014 niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het formulier “Declaration for accommodation Vluchthaven” geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast houdt het bestreden besluit in dat betrokkene vanaf 9 december 2013 geen recht had op opvang op grond van de Wmo en dat voor zover betrokkene wel (tijdelijk) opvang is geboden, deze opvang onverplicht is geweest. 4.2. De Raad is van oordeel dat het bezwaar van 13 maart 2014 was gericht tegen de (voorwaarden verbonden aan
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.