16/2547 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 maart 2016, 15/7156 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Westland (college) Datum uitspraak: 26 oktober 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. Jaab, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten, advocaat, een verweerschrift ingediend. Bij een op 3 september 2017 ontvangen fax-bericht heeft mr. Jaab enige aanvullende stukken ingezonden en een verzoek om toepassing van primair artikel 8:29 en subsidiair artikel 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Bij de toepassing van artikel 8:32 van de Awb verzocht hij de gemachtigde van het college, die advocaat of arts is, geen kennis te laten nemen van de desbetreffende stukken. De op dat verzoek betrekking hebbende stukken zijn door de Raad ontvangen op 6 september 2017. Vanwege de onmogelijkheid om het college te raadplegen over het betrekken van deze stukken bij het hoger beroep zijn deze teruggezonden. Een op 11 september 2017 van mr. Jaab ontvangen omvangrijk pakket aanvullende stukken is niet bij de behandeling van het geding betrokken ter zitting en aan appellante teruggegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jaab. Aan haar zijde was tevens aanwezig drs. A.C. van der Meer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Frederix-Gianotten, mr. W. van IJzeren en M. van Beek. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is vanaf 1 september 2008 als applicatiebeheerder in dienst van het college. Na een ziekmelding per 26 maart 2013 heeft vanaf november 2013 een korting op de bezoldiging van 10% plaatsgevonden. Appellante heeft hiertegen rechtsmiddelen aangewend omdat zij meent dat zij lijdt aan een beroepsziekte. Op het daarop betrekking hebbende hoger beroep is nog geen uitspraak gedaan. 1.2. Bij een bezoek van appellante aan de nieuwe bedrijfsarts [X] op 12 november 2014 heeft appellante er mondeling mee ingestemd dat [X] informatie zou opvragen bij haar behandelend psycholoog [Y] . Bij e-mail van 9 december 2014 en bij brief van 19 december 2014 heeft [X] een (herhaald) verzoek gedaan om het formulier inzake de toestemming om informatie bij [Y] te vragen in te vullen en te retourneren en appellante een aangetekend rappel van 9 januari 2015 toegestuurd. Appellante heeft schriftelijk gereageerd bij brief van 17 januari 2015. Zij heeft geen ondertekend formulier naar [X] teruggestuurd. Bij brief van 19 januari 2015 heeft [X] appellante meegedeeld dat hij zonder de informatie van [Y] niet in staat is om de verzuim- en re-integratiebegeleiding uit te voeren. 1.3. Na kennisname van de brief van 19 januari 2015 van [X] heeft het college bij besluit van 6 februari 2015 besloten de doorbetaling van de bezoldiging aan appellante te staken. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 augustus 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 3.1. Appellante haar hoger beroep is erop gericht dat de staking van de doorbetaling van de bezoldiging vanaf 6 februari 2015 ongedaan wordt gemaakt en de daardoor geleden schade wordt vergoed. 3.2. Het college heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Weigering informatie te verstrekken 4.1. De concrete tekortkoming die het college ten grondslag legt aan het staken van de bezoldiging is de weigering van appellante om de bedrijfsarts schriftelijk toestemming te verlenen om informatie op te vragen bij de behandelaar van appellante. Het college heeft ter zitting aangegeven dat toepassing is gegeven aan artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder a en i, en artikel 7:14, tweede lid, aanhef en onder a, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). De Raad zal in de eerste plaats de vraag beantwoorden of de gedraging van appellante kan worden aangemerkt als de weigering om - op verzoek van het college - informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk, zoals in artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder i, van de CAR/UWO is vermeld. 4.2. Op grond van de gedingstukken neemt de Raad als vaststaand aan dat appellante het toestemmingsformulier ten minste éénmaal heeft ontvangen, nu dit bij de brief van [X] van 19 december 2014 was bijgesloten en appellante de ontvangst van die brief heeft erkend. Appellante kon uit de herhaalde verzoeken begrijpen dat de bedrijfsarts groot belang hechtte aan het opvragen van informatie bij de behandelaar. In de brief van 19 januari 2015 is dit ook nog toegelicht. Appellante heeft het formulier nimmer ingezonden. Dat appellante niet letterlijk heeft geweigerd om het formulier ondertekend in te zenden - een brief met een dergelijke inhoud ontbreekt - neemt niet weg dat het in feite niet inzenden meebrengt dat zij dit in wezen wel heeft geweigerd. Dit gedrag heeft het college mogen aanmerken als een weigering als bedoeld in artikel 7:13:2, eerste lid, aanhef en onder i, van de CAR/UWO. 4.3. Appellante meent dat zij [X] geen informatie heeft onthouden, omdat zij bij bezoeken aan de bedrijfsarts op onder meer 12 november 2014 uitvoerig informatie heeft gegeven over haar medische situatie en uitslagen van medische onderzoeken. Zij heeft [X] op 12 november 2014 het behandelplan van haar psycholoog [Y] laten zien. Nog daargelaten dat de gedingstukken geen uitsluitsel geven over de gang van zaken bij het genoemde spreekuurbezoek, kan de Raad appellante niet volgen in haar standpunt. Mondelinge informatie van appellante aan de bedrijfsarts en het laten zien van een schriftelijk stuk zijn niet hetzelfde als en kunnen niet op één lijn gesteld worden met schriftelijke of mondelinge informatie die een behandelaar zelf aan de bedrijfsarts verstrekt. 4.4. Appellante trekt in twijfel dat de bedrijfsarts informatie van haar behandelaar nodig heeft om advies te geven over de re-integratie. De Raad volgt appellante niet. Dat de bedrijfsarts in december 2015 tot een advies is gekomen zonder raadpleging van de behandelaar hoeft niets af te doen aan zijn (legitieme) wens van een jaar daarvoor. Het is niet aan appellante om te bepalen op welke wijze de bedrijfsarts de advisering over de re-integratie van appellante rondom de jaarwisseling van 2014-2015 na de langdurige periode van het niet verrichten van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.