ECLI:NL:CRVB:2017:3839
166776 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2016, 16/1200 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 31 oktober 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. R. Haze, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M.C. Rooijers.
OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt vanaf januari 2012 een (onvolledig) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Met ingang van januari 2012 ontvangt appellante van de Svb een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).
1.2.
Op 22 juli 2013 heeft appellante in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek op verzoek van de Svb bankafschriften overgelegd. Daaruit is naar voren gekomen dat appellante sinds het overlijden van haar man, op 24 december 2011, een bedrijfsnabestaandenpensioen ontvangt van Nationale Nederlanden.
1.3.
Bij besluit van 28 juli 2015 (besluit 1) heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellante over de periode van januari 2012 tot en met april 2015 herzien op de grond dat appellante een bedrijfsnabestaandenpensioen ontving dat niet op de AIO-aanvulling in mindering is gebracht.
Bij besluit van eveneens 28 juli 2015 (besluit 2) heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van 1 augustus 2015 bij wijze van maatregel met 10% verlaagd gedurende een maand. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante een wijziging niet of niet tijdig heeft doorgegeven.
1.4.
Bij besluit van 26 januari 2016 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen besluit 1 en besluit 2 gegrond verklaard, in die zin dat er geen maatregel wordt opgelegd en dat de AIO-aanvulling wordt herzien vanaf november 2013. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de Svb na het bekend worden met het bedrijfsnabestaandenpensioen te lang heeft gewacht met het herstellen van de AIO-aanvulling, waardoor de herziening conform het beleid van de Svb is beperkt. De Svb heeft geen aanleiding gezien om een maatregel op te leggen.
4.1.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Participatiewet doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
4.2.
Vaststaat dat appellante niet onverwijld aan de Svb heeft gemeld dat zij een bedrijfsnabestaandenpensioen van Nationale Nederlanden is gaan ontvangen. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij het ontvangen van het bedrijfsnabestaandenpensioen had moeten melden. Appellante heeft weliswaar gemeld dat haar echtgenoot is overleden, maar dit betekent niet dat zij niet hoefde te melden dat zij een bedrijfsnabestaandenpensioen is gaan ontvangen. De pensioenuitkering van wijlen haar echtgenoot ging na het overlijden niet van rechtswege over op appellante. Dit blijkt ook uit het feit dat Nationale Nederlanden hierover specifieke contractuele voorwaarden heeft opgenomen in de pensioenpolis. Dat appellante op grond van artikel 4:10 van het BW erfgename is van wijlen haar echtgenoot, betekent niet dat de pensioenuitkering automatisch wordt omgezet. Nu de Svb niet op de hoogte hoefde te zijn van de contractuele voorwaarden van Nationale Nederlanden met wijlen haar echtgenoot was de Svb er niet van op de hoogte dat de pensioenuitkering zou worden omgezet in een bedrijfsnabestaandenpensioen. Hieruit volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat de Svb ten tijde van het overlijden van wijlen haar echtgenoot niet op de hoogte hoefde te zijn van het bedrijfsnabestaandenpensioen van appellante. De beroepsgrond dat aanleiding bestond om over een kortere periode te herzien, slaagt reeds daarom niet.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2017. (getekend) J.T.H. Zimmerman (getekend) J. Tuit HD