16/5433 WUBO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [Appellante] te [woonplaats 1] (appellante) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) Datum uitspraak: 16 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 juli 2016, kenmerk BZ01951567 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel. Op verzoek van appellante is ter zitting verschenen en als getuige gehoord de broer van appellante [naam broer], wonende te [woonplaats 2]. OVERWEGINGEN 1.
- Appellante, geboren in 1944, heeft in juli 2015 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, een vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. 1.
- Bij besluit van 15 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen, op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo. Verweerder is van mening dat geen bevestiging is verkregen van een vlucht van Kupang naar Sumbawa vanuit een direct levensbedreigende situatie of onder direct levensbedreigende omstandigheden, en dat ook niet is gebleken van directe betrokkenheid bij beschietingen in Malang in
- Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling. 2.
- Naar aanleiding van de aanvraag van appellante en het bezwaar tegen de afwijzing daarvan heeft verweerder relatiedossiers geraadpleegd van de vader en broer van appellante, maar ook de dossiers van mogelijke lotgenoten. 2.
- Op grond van de voorhanden zijnde gegevens en de gehoorde getuige, is ook de Raad niet gebleken dat de vlucht ten tijde van de Bersiap-periode van Kupang naar Sumbawa vanuit of onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Uit de gegevens van de vader blijkt niet van een vlucht naar Sumbawa. De broer van appellante benoemt wel de vlucht vanuit Kupang en stelt dat zijn moeder en appellante apart naar Sumbawa zijn gevlucht. Hij vermeldt niet dat bij appellante sprake zou zijn geweest van levensbedreigende omstandigheden voorafgaand of tijdens die vlucht. 2.
- In het kader van de Algemene oorlogsongevallenregeling is aanvaard dat appellante in 1950/1951 in Malang beschietingen heeft meegemaakt. Aan de hand van tijd- en plaatsbepalingen heeft zij geprobeerd aan te tonen dat zij ook vóór de soevereiniteitsoverdracht in 1949 in Malang beschietingen heeft meegemaakt. Los van de vraag wanneer de beschietingen precies hebben plaatsgevonden, kan naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 3 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4333) het meemaken van beschietingen (alleen) als oorlogsgeweld in de zin van de Wubo worden aanvaard als de betrokkene bij die beschietingen direct betrokken is geweest. Voor een dergelijke betrokkenheid is onder meer van belang of de betrokkene zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of het omkomen van naasten. Hiervan heeft appellante geen melding gemaakt. 2.
- Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november
- (getekend) B.J. van de Griend (getekend) J. Tuit HD