← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2017:4390

163007 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2016, 15/4461 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 19 december 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E.B. Jobse, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november

  1. Namens appellant is mr. Jobse verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Karreman. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende in geding van belang zijnde feiten. 1.
  3. Appellant ontving sinds 22 november 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat sinds 28 december 2005 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen, ingeschreven op het [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres) en heeft een relatie met [M.] (M), tevens de moeder van zijn kinderen. Appellant heeft in de periode van 1992 tot en met 2002 samengewoond met M op het adres Hillestraat 10B te Rotterdam (Hillestraat). 1.
  4. Naar aanleiding van een op 28 juli 2014 ontvangen telefonische anonieme melding dat appellant samenwoont met zijn vrouw op [het adres 2] heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft het college onder meer dossieronderzoek gedaan, op 2 oktober 2014 een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd en appellant op 16 oktober 2014 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 oktober
  5. 1.
  6. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 3 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juni 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellant in te trekken met ingang van 2 oktober
  7. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres, dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door daarvan bij het college geen melding te maken en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
  8. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  9. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van het college dat hij geen hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Daarnaast kan hij niet worden gehouden aan zijn op 16 oktober 2014 afgelegde verklaring. Er is geen rekening gehouden met de leeftijd van appellant en met de omstandigheid dat zijn kennis van het nederlands gebrekkig is. Daarnaast was de vraagstelling bij het gehoor suggestief.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  11. De hier te beoordelen periode loopt van 2 oktober 2014 tot en met 3 november
  12. 4.
  13. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. 4.
  14. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. 4.
  15. Appellant heeft op 16 oktober 2014 ten overstaan van een sociaal rechercheur en een toezichthouder een verklaring afgelegd. Anders dan appellant heeft aangevoerd, kan hij aan deze verklaring worden gehouden. Volgens vaste rechtspraak mag in het algemeen, ook indien de betrokkene later van een afgelegde verklaring teugkomt, worden uitgegaan van de juiste weergave van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellant heeft zijn verklaring weliswaar niet ondertekend, maar dat betekent niet dat die verklaring niet mocht worden gebruikt door het college. Hierbij is van belang dat de verklaring van appellant is neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport. Hieruit blijkt niet dat appellant, nadat deze verklaring aan hem was voorgelezen, is teruggekomen op zijn verklaring. Daarnaast blijkt niet dat appellant de vragen niet begreep door zijn leeftijd of door een beperkte beheersing van de Nederlandse taal. Ook biedt het rapport geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake was van een suggestieve vraagstelling. Voorts heeft appellant niet aan de hand van verifieerbare gegevens onderbouwd dat het op ambtseed opgemaakte rapport een onjuiste weergave geeft van zijn verklaring. Appellant heeft in eerste instantie een gedetailleerde verklaring afgelegd. De enkele ontkenning van die verklaring achteraf is onvoldoende om aan de juistheid daarvan te twijfelen. 4.
  16. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres. Voor dit oordeel is redengevend dat appellant op 16 oktober 2014 heeft verklaard dat hij grotendeels verblijft op [het adres 2]. Verder heeft hij verklaard dat hij zich op [het adres 2] doucht, daar zijn tanden poetst en zijn kleding wast. De verklaring van appellant van 16 oktober 2014 vindt steun in de bevindingen van het huisbezoek. Tijdens het huisbezoek is waargenomen dat de vloer, wanden en kranen van de douchecel droog waren, dat de koelkast niet was aangesloten en dat er weinig levensmiddelen in de woning waren. Dat appellant verklaringen heeft gegeven voor wat is aangetroffen in de woning, maakt dit niet anders, nu deze verklaringen achteraf zijn gegeven en deze verklaringen geen steun vinden in zijn verklaring die appellant op 16 oktober 2014 heeft afgelegd. 4.
  17. Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  18. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en P.W. van Straalen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december
  19. (getekend) W.H. Bel (getekend) A.M. Pasmans HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.