← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2017:629

16/2406 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West Brabant van 11 april 2016, 16/1881 en 15/7071 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Breda (college) Datum uitspraak: 22 februari 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting in de zaken 16/994, 16/1668, 16/1669, 16/1830, 16/1803, 16/3426, 16/2406, 16/2813 en 16/3530 heeft gevoegd plaatsgehad op 7 december

  1. Namens appellant is verschenen mr. W.G. Fischer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P.W. Raijmakers en C.C.M. van Weezel. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, ten tijde hier van belang, geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen. 1.
  4. In een e-mail van 20 augustus 2015 heeft het “Centraal onthaal” van de gemeente Breda, een loket voor vragen over opvang, het volgende aan reclasseringsambtenaar [naam] meegedeeld: “Goedemorgen, in vervolg op ons telefoongesprek van vanochtend stuur ik u hierbij de informatie door die wij ingewonnen hebben over de heer [appellant] . We hebben contact gehad met de IND en ons is medegedeeld dat meneer een 1 F status heeft, wat tot gevolg heeft dat wij niets voor meneer kunnen betekenen. Op basis van deze status is meneer ook ongewenst vreemdeling verklaard. Dit is bevestigd bij de behandeling van zijn hoger beroep. Hij heeft een inreisverbod voor de duur van 10 jaar. Dit gaat in op het moment dat hij aantoonbaar Nederland verlaten heeft.” 1.
  5. Bij besluit van 28 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de e-mail van 20 augustus 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de e-mail geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  7. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 15 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2500, heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening afgewezen.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. De Raad is van oordeel dat met de e-mail van 20 augustus 2015 uitsluitend informatie is gegeven in reactie op een verzoek daartoe over de situatie van appellant. Uit de weergave van de e-mail kan, anders dan appelant meent, niet worden afgeleid dat gevraagd is om opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of dat is besloten tot een afwijzing op grond van die wet. Dit betekent dat de e-mail niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat het bezwaar daartegen terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Voor het doorsturen van het hogerberoepschrift naar de Afdelingsbestuursrecht van de Raad van State, ziet de Raad geen aanleiding gelet op de rechtsmiddelclausule die onder de aangevallen uitspraak staat. 4.
  10. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
  11. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari
  12. (getekend) H.J. de Mooij (getekend) M.S.E.S. Umans UM

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.