167103 WWB Datum uitspraak: 3 april 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 oktober 2016, 15/222 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [Woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari
- Namens appellant is verschenen mr. drs. R.E. Tay, advocaat. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. In verband met een schuld van appellant aan het college en beslagen op de bijstand, hield het college maandelijks bedragen op de bijstand van appellant in. 1.
- Bij brief van 28 mei 2014 heeft appellant de gemeente verzocht de ingehouden bedragen te verlagen, omdat deze meer dan 10% van zijn uitkering bedroegen. Bij besluit van 3 juni 2014 heeft het college het bedrag van de maandelijkse inhouding gesteld op 10% van de voor appellant geldende bijstandsnorm (€ 95,16). Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt. 1.
- In het kader van het bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2014 heeft appellant bij faxbericht van 10 december 2014 de specificatie voorschotbeschikking zorgtoeslag 2014 van de Belastingdienst van 27 december 2013 overgelegd. Volgens die specificatie bedroeg de aan appellant toegekende zorgtoeslag van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 € 72,- per maand. 1.
- Bij beslissing op bezwaar van 12 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college vervolgens de in acht te nemen beslagvrije voet berekend op € 889,47 en het maandelijks op de bijstand in te houden bedrag verlaagd naar € 62,18, met als ingangsdatum 1 december
- Het college heeft geen aanleiding gezien te voldoen aan het verzoek van appellant de beslagvrije voet met terugwerkende kracht aan te passen omdat appellant de benodigde gegevens, met name de in 1.3 genoemde specificatie, pas in de bezwaarfase heeft overgelegd, zodat het college niet eerder over de benodigde gegevens kon beschikken.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat het op de weg van het college ligt onderzoek te doen naar de beslagvrije voet en niet af te wachten totdat appellant de benodigde informatie verstrekt.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Het geschil is beperkt tot de ingangsdatum van de aanpassing van de beslagvrije voet. 4.
- Op grond van artikel 475d, zevende lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet de beslaglegger met een wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen onverwijld rekening houden. Hij is verplicht aan degene die de periodieke betaling moet verrichten, met het tijdstip van ingang, kennis van de verhoging te geven onmiddellijk nadat de reden daarvoor is aangetoond aan hem, zijn advocaat, zijn gemachtigde of de deurwaarder. 4.
- Niet in geschil is dat het college de voor de herberekening van de beslagvrije voet benodigde gegevens over de zorgtoeslag eerst bij brief van 10 december 2014 van appellant heeft ontvangen. Op dat moment was aan het college de reden voor de verhoging van de beslagvrije voet aangetoond. Met de aanpassing van de beslagvrije voet met ingang van 1 december 2014 heeft het college daarom voldaan aan het vereiste dat het onverwijld rekening moet houden met de wijziging van omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen. Vergelijk de uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:
- 4.
- Anders dan appellant heeft aangevoerd lag het op zijn weg om de gegevens over zijn financiële omstandigheden die nodig waren voor het verhogen van de beslagvrije voet, aan het college over te leggen. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien met terugwerkende kracht rekening te houden met de omstandigheden die de beslagvrije voet verhogen. 4.
- Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april
- (getekend) J.L. Boxum (getekend) J. Smolders LO