Datum uitspraak: 12 april 2018 16/8103 WIA-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 september 2016, 16/912 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Aan het geding heeft deelgenomen: [belanghebbende BV] (belanghebbende) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 14 april 2017 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 1 maart
- Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, de heer [naam echtgenoot]. Het Uwv en belanghebbende hebben zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 14 april 2017 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was 14 november
- Het hogerberoepschrift is gedateerd 23 december 2016, is op 28 december 2016 ter post bezorgd en is op 29 december 2016 bij de Raad ontvangen. Het is daarmee niet tijdig ingediend. In verzet is aangevoerd dat appellante de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en haar echtgenoot de post afhandelt. Bij afwezigheid van haar echtgenoot, die voor zijn werk regelmatig een week in het buitenland verblijft, legt appellante de belangrijke post op een aparte stapel. Aangezien appellante de aangevallen uitspraak op de verkeerde stapel heeft gelegd, heeft haar echtgenoot pas kennis genomen van de uitspraak na afloop van de hogerberoepstermijn. De Raad ziet in het door appellante aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Het ligt op de weg van appellante om maatregelen te treffen om zowel de beoordeling als de afhandeling van haar post mogelijk te maken. Dat in dit geval deze maatregelen niet toereikend bleken, moet voor haar risico komen. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april
- (getekend) H.C.P. Venema (getekend) N.L. Kuipers LO