165802 WMO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 augustus 2016, 14/2533 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college) Datum uitspraak: 25 april 2018 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari
- Namens appellante is mr. Grégoire verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.C.A. Bruggeman en J.E. Day. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante beschikte tot 1 januari 2012 over hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor 6 uur en 30 minuten per week. 1.
- Per 1 januari 2012 heeft het college de omvang van de hulp bij het huishouden van appellante teruggebracht tot 4 uur en 55 minuten per week. Verder heeft het college een aanvraag van appellante van 18 december 2012 om uitbreiding van de hulp bij het huishouden afgewezen. Appellante heeft rechtsmiddelen aangewend tegen deze besluiten en uiteindelijk hoger beroep ingesteld bij de Raad. 1.
- Op 3 september 2013 heeft appellante opnieuw een aanvraag gedaan om uitbreiding van het aantal uren huishoudelijke hulp. Bij besluit van 18 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit), heeft het college met ingang van 18 november 2013 6 uur en 10 minuten hulp bij het huishouden per week toegekend aan appellante. 1.
- Bij besluit van 21 september 2015 heeft het college opnieuw beslist over de aanspraken van appellante op hulp bij het huishouden op grond van de Wmo voor de periode vanaf 1 januari
- Het college heeft appellante met ingang van 1 januari 2012 in aanmerking gebracht voor 6 uur en 30 minuten hulp bij het huishouden per week. De einddatum van dit besluit is 31 maart
- De Raad heeft dit besluit op grond van het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de in 1.2 genoemde procedure betrokken. 1.
- In de in 1.
- genoemde procedure zijn partijen ter zitting van de Raad van 16 maart 2016 een schikking overeengekomen, waarna appellante de hoger beroepen heeft ingetrokken.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenveroordeling afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 21 september 2015 de facto het voorliggende bestreden besluit heeft vervangen, zodat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit het proces-verbaal van de ter zitting van de Raad van 16 maart 2016 getroffen schikking blijkt dat de proceskosten van het onderhavige beroep zijn inbegrepen in die schikking. Er is daarom geen plaats voor een hogere vergoeding van proceskosten dan het college in het kader van die schikking reeds aan appellante heeft voldaan.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de proceskosten van de onderhavige procedure zijn verdisconteerd in de bij de Raad getroffen schikking. Appellante verzoekt om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Verder heeft appellante een verzoek om schadevergoeding gedaan.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de vergoeding van de proceskosten. 4.
- Het bestreden besluit heeft betrekking op de periode vanaf 18 november
- Met het besluit van 21 september 2015 heeft het college met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2012 alsnog 6 uur en 30 minuten hulp bij het huishouden aan appellante toegekend. Ter zitting van de Raad van 16 maart 2016 is de einddatum van dit besluit bepaald op 31 december
- Hieruit volgt dat het besluit van 21 september 2015 mede betrekking heeft op de periode die wordt bestreken door het bestreden besluit. Het besluit van 21 september 2015 moet dan ook worden geacht in zoverre in de plaats te zijn getreden van het bestreden besluit. 4.
- Vaststaat dat het college op 8 oktober 2015 een besluit heeft genomen waarbij € 5.880,- aan proceskosten aan appellante is toegekend. Tussen partijen is niet in geschil dat dit besluit deel uitmaakt van het besluit van 21 september
- 4.
- Ter zitting van de Raad van 16 maart 2016 hebben partijen een schikking bereikt over het besluit van 21 september 2015 waarbij tevens is overeengekomen dat aan appellante overeenkomstig het besluit van 8 oktober 2015 een proceskostenvergoeding van € 5.880,- toekomt. Nu het besluit van 21 september 2015 in de plaats is getreden van het bestreden besluit, moeten de met het bestreden besluit samenhangende proceskosten worden geacht te zijn inbegrepen in de ter zitting van de Raad getroffen schikking over het besluit van 21 september 2015 en de hierbij overeengekomen proceskostenvergoeding. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, kan de onderhavige procedure niet leiden tot vergoeding van meer kosten aan appellante dan het college reeds op grond van de tussen partijen getroffen schikking aan haar heeft vergoed. Het aangevochten oordeel van de rechtbank is dan ook juist. 4.
- Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 april
- (getekend) J. Brand (getekend) M.A.A. Traousis UM