← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:144

16/2726 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 maart 2016, 15/4330 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) Datum uitspraak: 17 januari 2018 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober

  1. Appellant is met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Bij appellant is in 2002 een progressieve neurologische aandoening geconstateerd. 1.
  4. Op 3 december 2013 heeft appellant een vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een scootmobiel. Bij besluit van 17 februari 2014 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college het advies van ergonomisch adviseur A. Hector van SCIO Consult van 10 februari 2014 ten grondslag gelegd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. 1.
  5. Op 13 februari 2015 heeft appellant opnieuw een aanvraag gedaan voor een scootmobiel. Bij besluit van 20 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het college de tweede aanvraag onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat er geen veranderde omstandigheden zijn waaruit blijkt dat appellant voor een scootmobiel in aanmerking zou kunnen komen.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aanvraag van appellant betrekking heeft op een nieuwe periode na het indienen van de tweede aanvraag. In een dergelijke situatie is geen sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, reeds omdat de voor de beoordeling van de latere aanvraag relevante feiten en omstandigheden naar hun aard veranderd kunnen zijn. Het college heeft ten onrechte artikel 4:6 van de Awb aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen. Uit het rapport van SCIO Consult van 21 november 2012 blijkt dat appellant, onder andere, soms klachten heeft aan zijn ogen waarbij hij kortdurend een wazig beeld heeft. Ook heeft appellant stoornissen in het geheugen, vergeet hij vaak dingen en kan hij de weg niet meer vinden. Uit het rapport van SCIO Consult van 10 februari 2014 blijkt dat, gelet op de klachten van appellant, een scootmobiel contra-geïndiceerd is. De neuroloog E.L.J. Hoogervorst heeft in zijn verklaring van 3 juni 2015 aangegeven dat hij appellant behandelt in verband met relapsing remitting multiple sclerose en dat hij zich heel goed kan voorstellen dat er bij appellant toenemende cognitieve stoornissen zijn welke mogelijk interfereren met het rijden van een scootmobiel. Het college heeft zich, gelet op de rapporten van SCIO Consult van 21 november 2012 en 10 februari 2014, terecht op het standpunt gesteld dat er een contra-indicatie bestaat voor het rijden met een scootmobiel omdat appellant niet in staat is om op een veilige wijze een scootmobiel te besturen. De verklaring van de neuroloog van 3 juni 2015 leidt niet tot een ander oordeel aangezien deze verklaring in lijn is met de conclusies van SCIO Consult. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij wel veilig een scootmobiel kan besturen. Het college was daarom niet gehouden een nieuw medisch advies op te vragen.
  7. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het college had moeten opdragen een nieuw besluit te nemen, waarbij het college dan een nader onderzoek had moeten instellen in welke mate appellant veilig aan het verkeer kan deelnemen.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. In wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. 4.
  10. Uit wat onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
  11. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en A.J. Schaap en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari
  12. (getekend) H.J. de Mooij (getekend) J.R. Trox IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.