17233 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 december 2016, 16/6292 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 6 juni 2018 PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geding tussen partijen op 3 november 2017 een tussenuitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2017:
- Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 6 maart 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens appellante heeft mr. C.L.J.A. Spiertz het hoger beroep gehandhaafd. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.
- Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. 1.
- Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 14 december 2017 vastgesteld dat appellante per 7 december 2015 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. 1.
- Bij beslissing op bezwaar van 6 maart 2018 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 januari 2016 gegrond verklaard. Appellante is alsnog per 7 december 2015 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geacht en zij is per die datum in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering.
- Het Uwv is met de beslissing op bezwaar van 6 maart 2018 volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen, zodat zij geen belang meer heeft bij een oordeel in hoger beroep in deze zaak. Het hoger beroep moet om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
- Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.503,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.505,-. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.505,-; bepaalt dat het Uwv het aan appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni
- (getekend) J.S. van der Kolk (getekend) M.D.F. de Moor CVG