← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:1666

16/1548 AW e.v. (zie bijlage) Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2016, 15/5342, 15/6055 en 15/6725 AW (aangevallen uitspraken) Partijen: de Minister van Defensie, thans de Staatssecretaris van Defensie (appellant) [Betrokkene 1] te [woonplaats 1] en twee anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (betrokkenen) Datum uitspraak: 7 juni 2018 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroepen ingesteld. Namens betrokkenen heeft mr. W.E. Louwerse verweerschriften ingediend. Partijen hebben desgevraagd verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN

  1. Betrokkenen waren als [naam functie] werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan hen is met ingang van verschillende data overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en het Sociaal Beleidskader Defensie
  2. Bij besluiten van verschillende data (toekenningsbesluiten) heeft appellant aan betrokkenen aansluitend aan hun ontslag wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie toegekend tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Bij besluiten van verschillende data (bestreden besluiten) heeft appellant de toekenningsbesluiten gehandhaafd.
  3. Bij de aangevallen uitspraken hebben de rechtbanken - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd wegens verboden onderscheid op grond van leeftijd en zelf in de zaken voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) bereiken.
  4. Appellant heeft zich, voor zover thans nog van belang, op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.
  5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  6. Appellant betwist niet langer dat beëindiging van het wachtgeld bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder enige vervangende voorziening voor betrokkenen een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Volgens appellant heeft de rechtbank echter ten onrechte zelf in de zaken voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereiken. 4.
  7. De beroepsgrond van appellant dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaken heeft voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkeringen betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereiken, slaagt. Appellant heeft vanwege de aard van de materie een zekere mate van vrijheid in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Het was dan ook aan appellant om het geconstateerde gebrek - het verboden onderscheid naar leeftijd - op een rechtens houdbare wijze te herstellen (vergelijk ook de uitspraken van de Raad van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2617, en 22 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:528). 4.
  8. De beroepsgrond van appellant dat de rechtbank bij het vaststellen van de vergoeding van de proceskosten niet heeft onderkend dat in beroep sprake was van drie samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) slaagt eveneens. De rechtbank heeft de zaken van betrokkenen gelijktijdig ter zitting behandeld. Niet in geschil is dat de gemachtigde van betrokkenen in deze drie zaken een identiek beroepschrift heeft ingediend. De kosten voor rechtsbijstand in beroep bedragen 1/3 van € 992,-, derhalve € 330,66 per betrokkene. 4.
  9. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd voor zover de rechtbank zelf in de zaken heeft voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en te bepalen dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereiken en voor zover de rechtbank de proceskosten in beroep heeft vastgesteld op € 992,- per betrokkene. 4.
  10. Appellant dient nieuwe beslissingen te nemen. De Raad zal met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb bepalen dat - onverhoopte - beroepen tegen de nieuwe beslissingen slechts bij hem kunnen worden ingesteld. Verder zal de Raad appellant veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in beroep tot een bedrag van € 330,66 voor elk van de betrokkenen.
  11. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraken voor zover de rechtbank zelf in de zaken heeft voorzien door de toekenningsbesluiten te herroepen voor zover het de einddatum van de wachtgelduitkering betreft en heeft bepaald dat het wachtgeld van betrokkenen wordt beëindigd met ingang van de datum waarop betrokkenen de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de AOW bereiken en voor zover de rechtbank de proceskosten in beroep heeft vastgesteld op € 992,- per betrokkene; draagt appellant op nieuwe beslissingen te nemen en bepaalt dat beroepen tegen deze besluiten slechts bij de Raad kunnen worden ingesteld; veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen in beroep tot een bedrag van € 330,66 voor elk van de betrokkenen. Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni
  12. (getekend) E.J.M. Heijs (getekend) P.W.J. Hospel LO Lijst van betrokkenen: Betrokkenen, woonplaats procedurenummers [Betrokkene 1] te [woonplaats 1] 16/1548 AW [Betrokkene 2] te [woonplaats 2] 16/1549 AW [Betrokkene 3] te [woonplaats 3] 16/1550 AW

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.