← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:1677

168030 AWBZ-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 november 2016, 16/1183 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor) Datum uitspraak: 9 mei 2018 Zitting heeft: J. Brand Griffier: S.L. Alves Ter zitting zijn verschenen: namens appellante mr. E. Osinga en dhr. H. Botzen, en namens het Zorgkantoor mr. M.H.D. Saro. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

  1. Aan appellante is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) over het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. Appellante heeft over de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014, voor zover hier van belang, van dat pgb een bedrag van € 29.200,- verantwoord voor door zorgverlener [X] verleende zorg. In het bestreden besluit van 25 januari 2016 heeft het Zorgkantoor, voor zover hier van belang, van die verantwoording een deel goedgekeurd en een deel afgekeurd, zodat het pgb lager is vastgesteld dan het bedrag van de verlening.
  2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
  3. Appellante heeft als beroepsgrond aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de verplichting om vol te toetsen of de door de zorgverlener verrichte activiteiten kunnen worden aangemerkt als zorg in de zin van de AWBZ. Appellante heeft daarbij betoogd dat, bij kwalificatie van de verleende zorg als ABWZ-zorg, de administratieve omissie niet (zonder meer) mag leiden tot lagere vaststelling van het aan haar verleende pgb. In de optiek van appellante moet alsnog een verantwoord bedrag van € 3.800,- worden goedgekeurd.
  4. Het Zorgkantoor heeft zich op het standpunt gesteld dat wat hem betreft duidelijk is dat de verleende zorg kan worden gekwalificeerd als AWBZ-zorg, maar dat de besteding van het pgb aan deze zorg niet kan worden vastgesteld. Er is wel een mogelijkheid om uit coulance een verantwoording te accepteren, maar dan moeten de bedragen die zijn betaald wel te herleiden zijn tot in bepaalde maanden verleende zorg.
  5. De aangevoerde hogerberoepsgrond miskent dat niet in geschil is dat aan appellante AWBZ-zorg is verleend, die uit het pgb mag worden betaald. De – naast het overeengekomen maandloon – separaat tot een totaalbedrag van € 3.800,-, door appellante aan [X] betaalde bedragen zijn echter niet concreet tot verleende zorg in bepaalde maanden te herleiden, nu uit de bankafschriften niet valt af te leiden waarop de betalingen betrekking hebben. Dat betekent dat het Zorgkantoor de verantwoording – ook – in zoverre heeft mogen afkeuren. Het hoger beroep slaagt niet.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) S.L. Alves (getekend) J. Brand IvR

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.