← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:1753

Datum uitspraak: 12 juni 2018 17/6633 ZVW, 17/6636 ZVW, 17/6638 ZVW, 17/6639 ZVW, 17/6640 ZVW, 17/6641 ZVW, 17/6642 ZVW, 17/6643 ZVW-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 mei 2017, 16/1902, 16/1903, 16/1905, 16/1906, 16/1907, 16/2617, 16/2618, 16/2619 Partijen: [verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker) CAK PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 10 januari 2018 heeft de Raad het door verzoeker ingestelde verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 31 mei 2017, 16/1902, 16/1903, 16/1905, 16/1906, 16/1907, 16/2617, 16/2618, 16/2619 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 1 mei

  1. Verzoeker was opgeroepen om te verschijnen. Beide partijen zijn niet verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 10 januari 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim is geweest. In verzet heeft verzoeker onder meer te kennen gegeven dat er sprake is van betalingsonmacht en dat het verzoek om vrijstelling van het griffierecht op oneigenlijke gronden wordt afgewezen. Voorts heeft hij erop gewezen dat de Raad in het kader van een eerder beroep een verzoek om vrijstelling van het griffierecht heeft toegewezen. Ook andere rechterlijke instanties, waaronder de Hoge Raad, hebben zijn verzoek om vrijstelling van het griffierecht eerder toegewezen. Aan deze verzoeken heeft steeds dezelfde informatie ten grondslag gelegen. De Raad is van oordeel dat verzoeker in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Niet is gebleken dat verzoeker binnen de daarvoor geldende termijn een verzoek om vrijstelling van het griffierecht heeft ingediend. Van een afwijzing van een dergelijk verzoek is dan ook geen sprake. Dat verzoeker in een andere procedure is vrijgesteld van betaling van het griffierecht, neemt niet weg dat hij in een nieuwe procedure opnieuw een verzoek om vrijstelling moet indienen en desgevraagd opnieuw informatie dient te verschaffen. Op basis van actuele gegevens moet beoordeeld worden of verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het griffierecht. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni
  2. (getekend) H.C.P. Venema (getekend) N.L. Kuipers LO

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.