16/5634 PW Datum uitspraak: 19 juni 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juli 2016, 15/5394 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Almere (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N. Velthorst, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.D. Klasen. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante ontvangt sinds 1 januari 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% ingevolge de Wet werk en bijstand, vanaf 1 januari 2015 op grond van de Participatiewet (PW). Haar zoon heeft zijn hoofdverblijf in dezelfde woning. 1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand zijn bij appellante bankafschriften over de periode van 1 januari 2014 tot 1 december 2014 opgevraagd. Uit de verkregen bankafschriften is het college gebleken dat op de bankrekening van appellante op 16 januari 2014 € 550,- is gestort, op 13 februari 2014 € 200,-, op 7 maart 2014 € 250,-, op 27 mei 2014 € 300,-, op 14 oktober 2014 € 200,-, op 17 oktober 2014 € 200,- en op 24 november 2014 € 500,-. 1.3. Bij besluit van 26 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 september 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante herzien. Aan de besluitvorming heeft het college met vermelding van artikel 17 van de PW ten grondslag gelegd dat de stortingen tot een bedrag van € 1.420,05 worden aangemerkt als inkomen en dat dit bedrag op de ontvangen bijstand in mindering wordt gebracht. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Het geschil is beperkt tot de vraag of het college de stortingen tot een bedrag van € 1.420,05 als in aanmerking te nemen middelen op de bijstand in mindering mocht brengen. 4.2. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 4.3. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de PW wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.