← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:1903

174273 AWBZ-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2017, 15/6490 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante 1] te [woonplaats] (appellante) Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor) Datum uitspraak: 6 juni 2018 Zitting heeft: J. Brand Griffier: S.L. Alves Ter zitting zijn verschenen: namens appellante mr. S. Kara, en namens het Zorgkantoor mr. C. Hartman. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 29 september
  2. Bij dit besluit heeft het Zorgkantoor het pgb van appellante voor het jaar 2013 vastgesteld op € 3.715,- en een bedrag van € 11.558,- van appellante teruggevorderd. De rechtbank heeft overwogen dat het Zorgkantoor zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet aan de verplichting heeft voldaan om uitsluitend giraal te betalen en dat het Zorgkantoor zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de opgevoerde kosten voor begeleiding niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat geen sprake is van zorg in de zin van artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ. 2.
  3. De blote stelling dat de verleende zorg, voor zover nog in geding, wel valt aan te merken als begeleiding die uit het pgb betaald mag worden, vormt geen aanleiding om het in de aangevallen uitspraak gegeven uitvoerig gemotiveerde oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden. 2.
  4. De grond dat het verricht hebben van contante betalingen appellante niet kan worden verweten heeft geen feitelijke betekenis en behoeft dan ook verder geen bespreking. In het kader van de door het Zorgkantoor verrichte belangenafweging zijn de verantwoorde kosten voor begeleiding immers niet afgewezen vanwege de wijze waarop de betalingen hebben plaatsgevonden maar (enkel) omdat het geen AWBZ‑zorg betrof. 2.
  5. De grond dat appellante er in redelijkheid op heeft mogen vertrouwen dat alle verleende zorg uit het pgb betaald mocht worden omdat de zorgverleners haar niet verteld hebben dat een deel van de door hen verleende zorg geen AWBZ‑zorg betrof, miskent de eigen verantwoordelijkheid van de budgethouder. Het is de verantwoordelijkheid van de budgethouder om de besteding van het pgb te verantwoorden overeenkomstig de daarvoor geldende regels. Daartoe behoort ook het inkopen van de juiste zorg. Dat appellante vanwege haar medische situatie niet in staat was om de aan het pgb verbonden verplichtingen na te komen is door haar op geen enkele wijze onderbouwd. 2.
  6. De grond dat appellante het teruggevorderde bedrag gelet op haar inkomsten nooit kan voldoen, leidt niet tot het oordeel dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Daarbij is van belang dat het Zorgkantoor bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moet houden met de bescherming van de beslagvrije voet.
  7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) S.L. Alves (getekend) J. Brand KS

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.