162507 AW, 18/421 AW Datum uitspraak: 28 juni 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2016, 15/384 (aangevallen uitspraak) Partijen: de korpschef van politie (appellant) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.B. van Doorn hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. H. Yildiz een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft appellant een nadere reactie ingezonden. Appellant heeft een besluit van 12 december 2017 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak ingezonden. Onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN 1.
- Betrokkene was werkzaam bij de voormalige politieregio [regio] , laatstelijk in de functie van generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP). 1.
- Betrokkene heeft op 27 september 2012 in het kader van het ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ een verzoek ingediend om bevordering naar de functie van senior GGP. Appellant heeft dit verzoek bij besluit van 19 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 december 2014 (bestreden besluit), afgewezen op de grond dat haar beoordeling over de periode februari 2011 tot en met oktober 2011 niet voldoet aan het criterium van een beoordeling boven de norm.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de beoordeling van 20 november 2013, die ziet op de periode van 13 december 2012 tot en met 20 november 2013, ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.
- Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij besluit van 12 december 2017 betrokkene alsnog bevorderd naar de functie van senior GGP.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Appellant heeft de Raad desgevraagd schriftelijk meegedeeld dat hij zijn in het hoger beroepschrift ingenomen standpunt inzake de beoordeling van 20 november 2013 niet langer handhaaft. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 4.
- Nu partijen geen belang hebben bij beoordeling van het besluit van 12 december 2017, wordt dit besluit, gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb niet in de beoordeling betrokken.
- Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op een bedrag van € 501,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens wordt van appellant op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb een griffierecht geheven. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak; veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 501,-; bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 503,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni
- (getekend) E.J.M. Heijs (getekend) P.W.J. Hospel LO