172347 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 februari 2017, 16/3177 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het dagelijks bestuur Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur) Datum uitspraak: 10 juli 2018 Zitting heeft: W.H. Bel als lid van de enkelvoudige kamer. Griffier: S.H.H. Slaats Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Veen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 13 mei 2016; herroept het besluit van 8 februari 2016; bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante de wettelijke rente dient te vergoeden over de na te betalen bijstand; veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-; bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep door haar betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen: Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Het gaat om een intrekking na opschorting en daarbij moet het volstrekt helder zijn voor de betrokkene wat van hem wordt verwacht en wanneer hij hieraan moet voldoen. In dit geval heeft Werk en Inkomen Lekstroom (WIL) appellante schriftelijk alleen om bankafschriften verzocht. Appellante heeft hierover tijdig telefonisch contact gezocht met WIL waarbij is afgesproken dat appellante in plaats van de verzochte bankafschriften bewijzen van opheffing onderscheidenlijk niet gebruik van de desbetreffende twee bankrekeningen zou overleggen. In die situatie had het op de weg van WIL gelegen het gewijzigde verzoek om gegevens schriftelijk vast te leggen en daarbij tevens te vermelden dat de oorspronkelijke hersteltermijn werd gehandhaafd. Door dit na te laten is appellante in het ongewisse gebleven over de termijn waarbinnen zij aan het verzoek van WIL had moeten voldoen en is van verzuim dan ook geen sprake. In die situatie was het dagelijks bestuur niet bevoegd om tot intrekking van de bijstand over te gaan. Het hoger beroep slaagt dan ook. Het schadeverzoek wordt toegewezen. Tevens bestaat aanleiding tot veroordeling van het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante. Waarvan proces-verbaal. De griffier Lid van de enkelvoudige kamer (getekend) S.H.H. Slaats (getekend) W.H. Bel Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.