← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:2466

Datum uitspraak: 9 augustus 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2015, 15/6037 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te Tunesië (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni

  1. Appellant is daar, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant ontving vanaf 8 juli 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 7 oktober 2014 heeft het Uwv de betaling van deze uitkering opgeschort omdat appellant geen geldige verblijfstitel had. In bezwaar en beroep is dit besluit in stand gebleven. 1.
  3. Bij brief van 29 juni 2015 heeft appellant verzocht om hervatting van de betaling van zijn uitkering. Hij heeft hierbij aangevoerd dat hij sinds 16 juni 2015 rechtmatig in Nederland verbleef in afwachting van een beslissing op een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning. Het Uwv heeft bij beslissing van 8 juli 2015 (primair besluit) aan appellant laten weten de betaling van de uitkering te hervatten met ingang van 16 juni
  4. 1.
  5. In bezwaar heeft appellant betoogd dat de betaling van zijn uitkering moet worden hervat met volledige terugwerkende kracht. 1.
  6. In het kader van de bezwaarprocedure heeft het Uwv inlichtingen ingewonnen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verblijfsstatus van appellant. De IND heeft laten weten dat de aanvraag van appellant om verblijf op 20 augustus 2015 is afgewezen. Appellant heeft die zelfde dag een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Volgens de IND had het bezwaar geen schorsende werking, maar mocht appellant niet worden uitgezet in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter. 1.
  7. Bij besluit van 18 september 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv vervolgens het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
  8. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien om te onderzoeken of er in de periode vóór 16 juni 2015 recht bestond op voortzetting van de uitbetaling van de WIA-uitkering.
  9. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij er niet op is gewezen dat de betaling kon worden hervat zodra hij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning zou indienen. Appellant meent dat hem niet kan worden verweten dat hij niet eerder een aanvraag heeft ingediend. Daarom kan het Uwv in redelijkheid niet weigeren om de uitkering met terugwerkende kracht uit te betalen.
  10. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  11. Volgens de rechtbank heeft het Uwv de uitbetaling van de WIA-uitkering van appellant niet met terugwerkende kracht hoeven hervatten. Tussen partijen is in geschil of dit oordeel juist is. Daarbij is − wat daarvan ook zij − niet in geschil dat appellant vanaf 15 juni 2015 enige tijd rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Appellant is inmiddels teruggekeerd naar Tunesië. 4.
  12. Artikel 69 van de WIA luidt als volgt: “
  13. Het UWV schort de betaling van een uitkering op grond van deze wet op indien de persoon die recht heeft op die uitkering een vreemdeling is die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet
  14. De betaling van de uitkering op grond van deze wet wordt hervat indien de betrokkene daartoe een aanvraag indient en het UWV is gebleken dat hij feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt en aan de overige voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet.” 4.3 In zijn uitspraken van 4 juli 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:A10178 (over artikel 41 van de Ziektewet) en ECLI:NL:CRVB:2003:A10184 (over artikel 50a van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)) heeft de Raad overwogen dat als aan het onrechtmatig verblijf in Nederland een einde komt en daarmee de reden voor de opschorting wegvalt, de uitbetaling van de uitkering alsnog met terugwerkende kracht zal moeten plaatsvinden. Dit geldt niet alleen voor de situatie waarin betrokkene feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt, maar ook voor de situatie waarin de betrokkene een aanvraag voor een vergunning tot verblijf indient en de beslissing daarop in Nederland mag afwachten. Dit oordeel werd als overweging ten overvloede herhaald in de uitspraak van de Raad van 9 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:
  15. 4.
  16. Artikel 69 van de WIA is ongeveer gelijkluidend aan artikel 50a van de WAO. Het gaat in dit geval om een terugwerkende kracht van niet meer dan ongeveer zeven maanden. De Raad ziet om deze redenen geen aanleiding om in dit geval tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraken die onder 4.3 zijn genoemd. Dit betekent dat het Uwv de WIA-uitkering van appellant alsnog met volledige terugwerkende kracht moet uitbetalen. 4.
  17. De overwegingen 4.1 tot en met 4.4 leiden ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door te besluiten dat de betaling van de WIA-uitkering van appellant wordt hervat met ingang van de ingangsdatum van de opschorting daarvan.
  18. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 501,- in bezwaar, in beroep en in hoger beroep. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de betaling van de WIA-uitkering van appellant wordt hervat met ingang van de ingangsdatum van de opschorting daarvan; - bepaalt dat deze uitspraak treedt in de plaats van het primaire besluit; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.503.-; - bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus
  19. (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum (getekend) H. Achtot KS

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.