163244 PW Datum uitspraak: 7 augustus 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 april 2016, 15/7634 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2018. Namens appellant is verschenen mr. Groenenberg. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F.M. van der Meij. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. 1.2. Appellant heeft op 27 mei 2015 een aanvraag ingediend om een persoonsondersteunend budget (POB) voor het jaar 2015 ingevolge de Participatiewet (PW). Een POB staat ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Verordening minimabeleid en activering Participatiewet, IOAW en IOAZ Bollenstreek 2015 (Verordening) gelijk aan individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de PW. 1.3. Bij besluit van 2 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 september 2015 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur - voor zover van belang - de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat om het POB te ontvangen appellant aan een aantal voorwaarden moet voldoen. Eén van de voorwaarden is dat het vermogen de afgelopen 12 maanden niet hoger is geweest dan de vermogensgrens. Appellant heeft sinds 1 juli 2008 een auto op naam staan met een dagwaarde van € 11.570.- (auto), waarmee de maximale vermogensgrens van € 5.895,- wordt overschreden. 1.4. In het kader van een aanvraag POB over het jaar 2017 heeft het dagelijks bestuur psychiater G.E.A. de Waard ingeschakeld voor een expertise. De psychiater is gevraagd om het psychisch functioneren van appellant te onderzoeken en te reageren op de claim van appellant, dat hij alléén met zijn huidige auto kan rijden, ten gevolge van zijn psychische problematiek. De expertise bestond onder meer uit een sociobiografische anamnese, onderzoek van appellant en het meewegen van medische gegevens, waaronder verklaringen van psycholoog B. Megens van 26 januari 2016 en het FACT team van de GGZ Rivierduinen (GGZ) van 15 september 2017. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de PW kan het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de PW heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen. 4.2. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat de belanghebbende in aanmerking komt voor het POB indien hij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.