← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:2599

16/7153 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 oktober 2016, 15/6206 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor) Datum uitspraak: 22 augustus 2018 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. Sietsma hoger beroep ingesteld. Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sietsma. Ook zijn verschenen haar zus [naam zus] en haar moeder [naam moeder] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Gezer. OVERWEGINGEN
  2. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
  3. Het Zorgkantoor heeft aan appellante op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2013 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 15.273,- voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). 1.
  4. Bij besluit van 15 april 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellante voor het jaar 2013 vastgesteld op € 0,- en bepaald dat appellante € 15.273,- dient terug te betalen. 1.
  5. Bij besluit van 16 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2015 ongegrond verklaard. Volgens het Zorgkantoor heeft appellante niet voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Appellante heeft in strijd met de Rsa haar zorgverleners contant betaald. Ook kan niet alle verleende zorg worden aangemerkt als AWBZ-zorg. Er is geen aanleiding om het pgb niet lager vast te stellen of om van terugvordering af te zien.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Zorgkantoor bevoegd was om het pgb van appellante lager vast te stellen en van haar terug te vorderen. Vast staat dat appellante haar zorgverleners in 2013 niet giraal heeft betaald. Daarmee heeft appellante niet voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. De omstandigheid dat het Zorgkantoor de verantwoording van het pgb in het verleden wel heeft goedgekeurd, maakt niet dat appellante er op mocht vertrouwen dat een intensieve controle van de verantwoording tot dezelfde uitkomst zou leiden. De rechtbank heeft zich verenigd met de door het Zorgkantoor gemaakte belangenafweging.
  7. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij het pgb met de overgelegde verantwoordingsstukken genoegzaam heeft verantwoord. Appellante mocht er op vertrouwen dat het Zorgkantoor de verantwoording van het pgb zou goedkeuren, omdat het Zorgkantoor het pgb in voorgaande jaren, waarin appellante op dezelfde wijze heeft gehandeld, wel heeft goedgekeurd. Verder leidt de terugvordering tot onaanvaardbare gevolgen voor appellante, omdat zij onvoldoende inkomen heeft waaruit zij het terug te betalen bedrag kan voldoen.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellante heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. 4.
  10. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. 4.
  11. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe. Het betoog van appellante dat zij niet wist dat zij haar zorgverleners niet contant mocht betalen, slaagt niet. Anders dan appellante heeft aangevoerd, heeft het Zorgkantoor haar meerdere keren, waaronder bij de besluiten waarin het pgb aan appellante is verleend, gewezen op de verplichting om haar zorgverleners giraal te betalen, zodat appellante dit had kunnen en behoren te weten. 4.
  12. De grond dat appellante het teruggevorderde bedrag gelet op haar inkomsten nooit kan voldoen, leidt niet tot het oordeel dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Daarbij is van belang dat het Zorgkantoor bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moet houden met de bescherming van de beslagvrije voet. 4.
  13. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
  14. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus
  15. (getekend) H.J. de Mooij (getekend) S.L. Alvers CVG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.