166402 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 september 2016, 16/101 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college) Datum uitspraak: 2 oktober 2018 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Os. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H.H. Ligtenberg. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving sinds 28 augustus 2013, met een korte onderbreking, bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Hij verrichtte daarnaast, met toestemming van het college, in het kader van zijn eigen onderneming activiteiten als fotojournalist, waarbij hij maandelijks een overzicht van inkomsten en kosten bij het college inleverde. 1.2. Bij besluit van 6 augustus 2015 heeft het college met toepassing van het beleid, zoals vastgelegd in de Mededelingen 359 (Ondernemen naar vermogen), 372 (Verkorte versie ondernemen naar vermogen) en 403 (Inkomstenkorting bij ondernemen naar vermogen in deeltijd), nadere verplichtingen aan appellant opgelegd, toegespitst op zijn individuele situatie als ondernemer. Die verplichtingen zijn neergelegd in een in het besluit opgenomen trajectplan. In het trajectplan is vermeld dat de verworven middelen in mindering worden gebracht op de bijstand. Kosten die volgens het gemeentelijk beleid in mindering kunnen worden gebracht op de inkomsten zijn materiaalkosten en verwervingskosten. Kosten in verband met verblijf in het buitenland worden niet geaccepteerd. Het college heeft in het besluit het opleggen van de verplichtingen aldus toegelicht dat de nadere regels erop zijn gericht dat appellant in de toekomst onderneemt binnen de bijstand op een manier die past binnen de regels. Appellant heeft tegen een groot aantal van de opgelegde verplichtingen bezwaar gemaakt. 1.3. Het college heeft bij besluit van 19 november 2015 (bestreden besluit) het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Voor het overige heeft het college het besluit van 6 augustus 2015 ongewijzigd in stand gelaten. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant toestemming is verleend om binnen de bijstand te blijven ondernemen, maar dat daaraan conform het beleid een aantal verplichtingen zijn verbonden. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft ter zitting de gronden van het hoger beroep beperkt tot het standpunt, dat de kosten die hij heeft gemaakt ten behoeve van reizen naar en in het buitenland in mindering moeten worden gebracht op de bedrijfsresultaten en dus op de inkomsten die op de bijstand in mindering komen. Appellant heeft zijn standpunt aldus toegelicht, dat het niet van belang is dat hij de reizen niet in het kader van een foto-opdracht onderneemt en dat hij de foto’s die hij maakt tijdens zijn reizen in het buitenland, vaak veel later pas verkoopt, terwijl hij wel direct al kosten heeft om die foto’s te kunnen maken. Hij betwist dat het territorialiteitsbeginsel een goede motivering vormt van het beleid om de in het buitenland gemaakte verwervingskosten buiten beschouwing te laten. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Niet in geschil is dat appellant ten tijde hier van belang niet was aan te merken als zelfstandige in de zin van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, zodat het college het recht op bijstand van appellant terecht heeft vastgesteld met toepassing van de bepalingen van de PW. Evenmin is in geschil dat het college appellant toestemming heeft verleend om binnen de bijstand als deeltijdondernemer activiteiten als fotojournalist te verrichten. 4.2. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de PW had appellant ten tijde hier van belang recht op bijstand voor zover hij niet over de middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van PW worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de PW is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm. Volgens artikel 32, eerste lid, van de PW wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 van de PW in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.