176428 WIA-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 september 2017, 17/1307 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 12 september 2018 Zitting heeft: E. Dijt Griffier: O.V. Vries Ter zitting is verschenen: M.M.J.E. Budel, gemachtigde van het Uwv. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen: In geschil is de weigering van de uitkering in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 1 juli
- Appellant heeft zich per 4 juni 2014 ziek gemeld met fysieke en psychische klachten en heeft een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) gekregen. Na afloop van de ZW-termijn heeft appellant een WIA-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 16 augustus 2016 is deze uitkering per einde wachttijd, 1 juni 2016, geweigerd. Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Op 15 november 2016 heeft appellant een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 juli 2016 gedaan. Bij besluit van 29 december 2016 heeft het Uwv geweigerd om per 1 juli 2016 een WIA-uitkering te verstrekken, omdat er volgens het Uwv geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De medische beperkingen op die datum zijn volgens de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep hetzelfde als op 1 juni
- In beroep bij de rechtbank heeft appellant aangevoerd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Hij heeft gewezen op een operatie op 1 juli 2016, waarvoor hij vier weken thuis heeft gelegen om te herstellen en zijn hoofd bijna niet kon en mocht bewegen. Daarnaast kampt hij met een ernstige psychotische stoornis waardoor er sprake is van disfunctioneren op sociaal en persoonlijk vlak. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en heeft de medische beperkingen zoals vastgesteld door de verzekeringsartsen onderschreven. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de operatie op 1 juli 2016 een dagopname betrof wegens een operatieve ingreep aan de neus en dat dit niet heeft geleid tot een duurzame beperking voor arbeid. Voor de psychische klachten zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken Persoonlijk en Sociaal functioneren in de Functionele Mogelijkhedenlijst bij de einde wachttijd beoordeling. Appellant heeft niet met medische gegevens onderbouwd dat op 1 juli 2016 sprake is geweest van een toename van de psychische beperkingen ten opzichte van 1 juni
- In hoger beroep heeft appellant de gronden in beroep herhaald en opnieuw verzocht om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Hij heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht. De conclusies en overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Er is geen aanleiding voor andere of aanvullende overwegingen. Verwezen wordt naar de aangevallen uitspraak. Er is geen twijfel over de vaststelling van de medische beperkingen door de verzekeringsartsen. Het verzoek om een deskundige te benoemen wordt daarom afgewezen.De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) O.V. Vries (getekend) E. Dijt IvR