← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:3192

17575 ZW Datum uitspraak: 17 oktober 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 december 2016, 16/5000 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door G.H. van Hetten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante is werkzaam geweest als woonbegeleider voor 28 uur per week. Haar dienstverband is op 1 februari 2015 geëindigd. Appellante heeft zich op 27 juli 2015 ziekgemeld wegens lichamelijke en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Vanaf 26 oktober 2015 heeft appellante ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. 1.
  3. Op 8 februari 2016 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante met ingang van 15 februari 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van woonbegeleider. Bij besluit van 8 februari 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 15 februari 2016 (datum in geding) geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 april 2016 ten grondslag. 2.
  4. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen zorgvuldig geweest. Uit de medische rapporten volgt dat het Uwv aandacht aan alle klachten van appellante heeft besteed. Het Uwv heeft geen klachten over het hoofd gezien en alle beschikbare informatie van de behandelend sector in de medische beoordeling meegenomen. De rechtbank heeft eveneens geen reden gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante heeft overschat. Appellante heeft op haar beurt ook geen objectieve medische gegevens overgelegd waaruit volgt dat er zwaardere beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. 2.
  5. Voor zover appellante heeft willen betogen dat zij niet kan terugkeren bij haar laatste werkgever en niet inziet welke werkgever haar werkzaamheden zou willen laten verrichten, heeft de rechtbank overwogen dat in deze procedure alleen de vraag aan de orde is of appellante in staat is om werkzaamheden te verrichten die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor haar arbeid zijn. 3.
  6. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat sprake is van dusdanige psychische en lichamelijke beperkingen dat zij niet in staat is tot het verrichten van haar eigen werk bij een soortgelijke werkgever. 3.
  7. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 maart 2017 overgelegd.
  8. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  9. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. 4.
  10. Tussen partijen is in geschil of het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 15 februari 2016 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de ZW omdat zij met ingang van deze datum in staat wordt geacht haar maatgevende arbeid in de zin van de Ziektewet te kunnen verrichten. 4.
  11. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv. Appellante heeft door middel van diverse verklaringen en het overleggen van aanvullende stukken haar psychische en lichamelijke klachten en belemmeringen kenbaar gemaakt. De verzekeringsarts heeft deze informatie, evenals de bij eigen onderzoek verkregen informatie, meegenomen in de beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beoordeling van de verzekeringsarts heroverwogen en daartoe de hoorzitting op 20 april 2016 bijgewoond. Niet is gebleken dat de verzekeringsartsen een onjuist dan wel onvolledig beeld hadden van de medische situatie van appellante. 4.
  12. Daarnaast wordt geoordeeld dat appellante met ingang van de datum in geding in staat moet worden geacht tot het uitoefenen van haar laatst vervulde functie als woonbegeleider bij een soortgelijke werkgever. Hiertoe is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de medische rapporten van 29 april 2016 onderscheidenlijk 22 maart 2017 uitgebreid heeft gemotiveerd dat de door appellante gestelde klachten blijkgeven van bijzondere persoonlijkheidskenmerken, maar dat deze niet op basis van objectieve medische gegevens kunnen worden aangemerkt als ziekte of gebrek in de zin van de Ziektewet. Overeenkomstig vaste rechtspraak zijn er door het Uwv voor deze klachten daarom terecht geen beperkingen aangenomen. 4.
  13. Het Uwv heeft ter zitting voldoende gemotiveerd dat de in hoger beroep ingediende stukken al bekend waren en geen nieuwe relevante feiten en omstandigheden bevatten. Deze informatie geeft daarom geen aanleiding om aan het oordeel van de rechtbank te twijfelen. 4.
  14. Gelet op het vorenstaande wordt geoordeeld dat het Uwv op juiste gronden heeft bepaald dat appellante met ingang van 15 februari 2016 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet.
  15. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  16. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober
  17. (getekend) R.E. Bakker (getekend) R.P.W. Jongbloed ew

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.