176471 AWBZ Datum uitspraak: 17 oktober 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2017, 17/728 (aangevallen uitspraak) Partijen: Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Het zorgkantoor heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft zijn bewindvoerder [X.] ([X.]) een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [X.]. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.D. Saro. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Het zorgkantoor heeft aan betrokkene op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend. 1.2. Bij besluit van 3 september 2016 heeft het zorgkantoor het pgb van betrokkene voor het jaar 2014 vastgesteld op € 60.388,85. Daarbij is overwogen dat aan betrokkene een pgb van € 74.982,25 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 1.124,73 geldt en dat van de door betrokkene ingezonden verantwoording een bedrag van € 59.264,12 wordt geaccepteerd. Dit betekent dat van betrokkene een bedrag van € 14.593,40 wordt teruggevorderd. 1.3. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 september 2016. Volgens betrokkene is ook het bedrag van € 14.593,40 besteed aan AWBZ-zorg, welke zorg is verleend door [X.]. 1.4. Bij besluit van 23 december 2016 heeft het zorgkantoor het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Betrokkene heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. 1.5. Tijdens de beroepsprocedure heeft het zorgkantoor, onder intrekking van het besluit van 23 december 2016, bij besluit van 23 juni 2017 (bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 september 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het zorgkantoor ten grondslag gelegd dat uit de zorgovereenkomst, de loonstroken van de SVB en de betalingen door de SVB aan [X.] volgt dat het pgb voor een bedrag van € 48.274,12 is besteed aan verleende zorg door [X.] in een omvang van (ruim) 40 uur per week. Er wordt geen aanleiding gezien de, in aanvulling op de betalingen van de SVB, verrichte betalingen aan [X.] van de pgb-rekening met de omschrijving (extra) verpleging te accepteren. Voor dat deel van de verantwoording is niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder c en i van de Rsa. Voor deze extra zorg is geen zorgovereenkomst afgesloten en ontbreken declaraties en/of urenbriefjes waaruit de omvang van de extra zorg blijkt. Voorts komt niet alle door [X.] verleende zorg voor vergoeding uit het pgb in aanmerking. Er bestaat, bij een afweging van de belangen, geen aanleiding om een hoger bedrag te accepteren dan het bedrag dat bij het besluit van 3 september 2016 is geaccepteerd. Daarbij is van belang geacht dat de besteding van het pgb voor wat betreft de extra betalingen niet objectief gecontroleerd kan worden nu daarvoor geen administratie is bijgehouden en niet aannemelijk is dat de gebrekkige administratie is veroorzaakt door spanning en stress bij [X.]. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 december 2016 niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen van procesbelang en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het zorgkantoor opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het zorgkantoor zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa zodat het zorgkantoor bevoegd was om het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het zorgkantoor niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid en ten onrechte het deel van het pgb dat niet deugdelijk is verantwoord, heeft teruggevorderd. Daartoe is overwogen dat aannemelijk wordt geacht dat de situatie van betrokkene en [X.] in het jaar 2014 anders was dan in de jaren daarvoor. Gelet op een combinatie van omstandigheden wordt aannemelijk geacht dat [X.] in de tweede helft van 2014 overbelast is geraakt en daarom niet in staat is geweest om het pgb op een juiste wijze te verantwoorden. Die omstandigheden zijn, onder meer, het wegvallen van de tweede zorgverlener Fachetti omstreeks eind juni 2014, het gegeven dat betrokkene vierentwintig uur zorg per dag nodig heeft en aan hem een pgb is toegekend in verband met zorg voor aanzienlijk meer dan veertig uur per week. 3. Het zorgkantoor heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het bestreden besluit is vernietigd op de grond dat niet in redelijkheid gebruik is gemaakt van de bevoegdheden tot lagere vaststelling van het pgb en tot terugvordering, en het zorgkantoor is opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het zorgkantoor stelt zich op het standpunt dat de gebrekkige verantwoording van het pgb voor rekening en risico van betrokkene komt. Anders dan de rechtbank wordt niet aannemelijk geacht dat de situatie van betrokkene en [X.] in het jaar 2014 anders was dan in voorgaande jaren en dat stress en spanning in 2014 de oorzaak zijn van de gebreken in de verantwoording van het pgb. In dat verband wordt gesteld dat [X.] heeft verklaard dat hij vóór het jaar 2014 ook de enige zorgverlener was en dat zo nodig hulp werd ingeroepen vanuit zijn eigen netwerk. In het jaar 2014 was [X.] vanaf juni, net als in voorgaande jaren, de enige zorgverlener. Niet valt in te zien waarom toen niet, net als in voorgaande jaren, (extra) hulp uit het eigen netwerk kon worden ingeroepen. Verder is gesteld dat de rechtbank eraan voorbijgaat dat de omvang van de extra verleende zorg door [X.] volstrekt onduidelijk is zodat er ook om die reden geen aanleiding is om een andere belangenafweging te maken. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Niet in geschil is het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa en het zorgkantoor als gevolg daarvan op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Awb bevoegd is het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het zorgkantoor niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot lagere vaststelling van het pgb en, als gevolg daarvan, ook niet tot terugvordering heeft kunnen besluiten. 4.2. Uit vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij de uitoefening van de bevoegdheid om een pgb lager vast te stellen een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor de verzekerde onevenredige uitkomst. Bij die afweging moet worden gekeken naar het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.