Datum uitspraak: 19 oktober 2018 17/8024 WUV-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen: Partijen: [appellant] te [woonplaats] , Israël (appellant) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht van 15 maart 2018 heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van verweerder van 6 september 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Namens appellant heeft mr. A.T. Eisenmann, advocaat, verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 7 september
- Appellant is verschenen, bijgestaan door de heer R.D. Banet, kantoorgenoot van mr. Eisenmann. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 15 maart 2018 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet. De Raad heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 30 april 2018 in de gelegenheid gesteld de gronden van het verzet in te dienen. Bij - aangetekend verzonden - brief van 31 mei 2018 is de gemachtigde van appellant nogmaals in de gelegenheid gesteld de gronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is erop gewezen dat (de gemachtigde van) appellant er rekening mee moet houden dat het verzet niet inhoudelijk zal worden behandeld, indien de gronden niet binnen de gestelde termijn zijn ingediend. Binnen de geboden termijn zijn bij de Raad geen gronden ontvangen. Eerst op 27 augustus 2018 heeft de gemachtigde van appellant de gronden ingediend. Ter zitting heeft de heer Banet te kennen gegeven dat gewacht is met het aanvoeren van de gronden tot het moment waarop relevante bewijsstukken waren ontvangen, zodat de stelling dat de termijnoverschrijding bij de indiening van het beroepschrift verschoonbaar is kon worden onderbouwd. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat dit verzuim niet aan (de gemachtigde van) appellant kan worden verweten. Het had op de weg van de gemachtigde van appellant gelegen om binnen de in de brief van 31 mei 2018 gestelde termijn (voorlopige) gronden in te dienen of gemotiveerd om uitstel te vragen. Dit heeft hij niet gedaan. Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober
- (getekend) H.C.P. Venema (getekend) C.A.E. Bon IJ