Datum uitspraak: 19 oktober 2018 17/7628 AWBZ-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 5 september 2017, 16-8842 (bestreden vonnis) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (Zorgkantoor) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 14 maart 2018 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door [naam A.] namens appellante ingestelde hoger beroep tegen het bestreden vonnis. Namens appellante heeft [naam A.] verzet gedaan. Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 september 2018, waar beide partijen niet zijn verschenen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 14 maart 2018 berust op de overwegingen dat het bestreden vonnis geen uitspraak is als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb zodat de Raad niet bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep van appellante. In verzet heeft appellante naar voren gebracht dat zij in afwachting is van een uitspraak van de rechtbank Overijssel. Uit die uitspraak en hetgeen daaraan vooraf is gegaan moet naar haar mening worden afgeleid dat de Raad wel bevoegd is te oordelen op het hoger beroep tegen het bestreden vonnis. De in verzet door appellante bedoelde uitspraak betreft de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 juni 2018 (zaaknummers 17/1173 en 18/78). Bij deze uitspraak zijn de beroepen van appellante tegen besluiten van het Zorgkantoor betreffende de aanspraken van appellante op voorzieningen in het kader van de Wet langdurige zorg over de jaren 2016 en 2017 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Het bestreden vonnis betreft de vordering van het Zorgkantoor voor betaling van incassokosten, die verband houden met niet tijdig verantwoorde zorgkosten, waarvoor aan appellante een persoonsgebonden budget voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 29 mei 2010 was toegekend. Zowel het bestreden vonnis als de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2018 hebben betrekking op de zorgkosten van appellante. Dat leidt evenwel niet tot de conclusie dat de Raad bij de beoordeling van het hoger beroep tegen de uitspraak van 12 juni 2018 ook het door appellante ingestelde rechtsmiddel tegen het bestreden vonnis kan betrekken. De uitspraak van 12 juni 2018 betreft de bestuursrechtelijke aanspraak op zorgkosten voor de periode 2016 en 2017. Het bestreden vonnis betreft de civielrechtelijke vordering op incassokosten verband houdend met niet tijdig verantwoorde zorgkosten. Bij uitspraak van 14 maart 2018 heeft de Raad er terecht op gewezen dat tegen dat vonnis hoger beroep openstaat bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van C. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2018. (getekend) H.C.P. Venema (getekend) C. Bon sg
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.