1760 PW-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2016, 16/1249 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 23 oktober 2018 Zitting hebben: J.L. Boxum als voorzitter en E.C.R. Schut en J.C.F. Talman als leden Griffier: Y. Itkal Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door mr. S.C. Scheermeijer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober
- Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
- Bij besluit van 14 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante van 7 juni 2015 om bijstand op grond van de Participatiewet buiten behandeling gesteld met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, ook na geboden hersteltermijnen, geen voor de behandeling van de aanvraag benodigde gegevens heeft overgelegd.
- In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
- Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat het college haar aanvraag van 7 juni 2015 ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Doordat zij slachtoffer is van identiteitsfraude kon zij redelijkerwijs niet beschikken over de gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften van twee op naam van appellante staande bankrekeningen bij Halifax Commercial Bank in Groot-Brittannië. Bovendien vond het college de gevraagde gegevens bij de toekenning van bijstand op grond van een latere aanvraag van 19 april 2016 niet noodzakelijk.
- De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat de door het college opgevraagde gegevens noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Appellante heeft voorts de gevraagde gegevens niet tijdig overgelegd en niet aannemelijk gemaakt dat zij daarover niet redelijkerwijs kon beschikken. Bij een latere aanvraag om bijstand heeft zij immers wel bankafschriften van de rekeningen die op haar naam stonden overgelegd. Bovendien heeft appellante na een aan haar tot 13 juli 2015 verleend uitstel om de gevraagde gegevens over te leggen niet verzocht om nader uitstel. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Er was voor het college dan ook geen reden om de aanvraag op andere wijze af te doen. De gestelde omstandigheid dat de gevraagde gegevens ook niet waren overgelegd bij de toekenning van bijstand per datum 19 april 2016 maakt dit niet anders, nu deze toekenning zag op een andere periode.
- Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) Y. Itkal (getekend) J.L. Boxum md