Conclusie 7 november 2018 Raadsheer Advocaat-Generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven 15/834 WIA-C, 16/2353 WMO15-C, ECLI:NL:CRVB:2018:3474 CONCLUSIE Zitting 26 september 2018 Conclusie inzake de hoger beroepen van: [Naam stichting 1] te [vestigingsplaats 1] , appellante 1, gemachtigde: mr. J.W.D. Roozemond [zaak 1] tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2016 in zaak nrs. 16/889, 16/387 in het geding tussen: appellante 1 en het Drechtstedenbestuur te Dordrecht. [Naam N.V.] te [vestigingsplaats 2] , appellante 2, gemachtigde mr. A.M. Nijboer [zaak 2] tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 december 2014, in zaak nr. 13/7178 in het geding tussen: appellante 2 en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). In deze zaken heeft de president van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), mr. T. Avedissian, mij bij brief van 14 juni 2018 verzocht een conclusie, als bedoeld in artikel 8:12a Algemene wet bestuursrecht (Awb), te nemen over enkele vragen die verband houden met de toepassing van het leerstuk van afgeleid belang in algemene zin en in het sociaal domein in het bijzonder. De zaken zijn behandeld door een grote kamer, als bedoeld in artikel 8:10a, vierde lid, Awb. In de conclusie worden vijf vuistregels geformuleerd die richtinggevend zouden moeten zijn bij toekomstige toepassing van het leerstuk van afgeleid belang door de bestuursrechters. Eerst en vooral is het leerstuk van afgeleid belang niet aan de orde als de derde in kwestie, naast een mogelijk afgeleid belang, een zelfstandig eigen belang heeft dat bij het besluit rechtstreeks betrokken is. Dit eigen belang kan in een andere hoedanigheid bestaan, maar bijvoorbeeld ook vanwege de reële mogelijkheid dat de derde in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend eigen belang wordt geschaad (vuistregel 1). Verder zou afgeleid belang niet aan een derde moeten worden tegengeworpen als zijn bij het besluit betrokken belang materieel niet parallel loopt met dat van de eerstbetrokkene (vuistregel 2) of als de betrokkenheid van zijn rechts- of belangpositie bij het besluit een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt (vuistregel 3). Afgeleid belang kan daarentegen wel aan de derde worden tegengeworpen als zijn belang parallel loopt met dat van de eerstbetrokkene en zijn belang uitsluitend via een contractuele relatie met de eerstbetrokkene bij dat besluit betrokken is (vuistregel 4). Ten slotte zou de thans soms toegepaste verwevenheidscorrectie op afgeleid belang niet meer moeten worden toegepast (vuistregel 5). Toepassing van deze vuistregels op zaak 1 en 2 leidt ertoe dat appellante 1 in zaak 1, en appellante 2 in zaak 2 als belanghebbende bij het bestreden besluit moeten worden aangemerkt. 1. Feiten en procesverloop [zaak 1] 1.1 Het geschil heeft betrekking op de vraag of appellante 1 kan worden beschouwd als belanghebbende bij (een) aan (een van) haar cliënten gericht(
- e)besluit(
- en)tot stopzetting van de uitbetaling van een persoonsgebonden budget (pgb). Volgens appellante 1 loopt zij als gevolg van dit/deze besluit(
- en)inkomsten mis en dreigt zij in haar voortbestaan te worden geraakt. 1.2 Appellante 1 exploiteert een zorgcentrum in Meerkerk. Zij voorziet in de huisvesting van en de verlening van verschillende vormen van zorg aan vijf tot tien hulpbehoevenden. Voor zover voor deze conclusie van belang, heeft een van deze hulpbehoevenden, een ten tijde hier van belang 82-jarige vrouw met een psychiatrische aandoening (betrokkene), die een indicatie heeft voor beschermd wonen (ZZP GGZ C3), voor haar zorg (persoonlijke verzorging, begeleiding individueel en dagbesteding) een pgb aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De uitvoering van deze wet is opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de aanvraagster van het pgb woont, in dit geval - ten tijde hier van belang - de gemeente Giessenlanden. Dit college heeft de uitvoering van de Wmo 2015 overgedragen aan het Drechtstedenbestuur (het bestuur). Het bestuur heeft de aanvraag van betrokkene ingewilligd en voor het jaar 2015 een pgb verleend van € 3.164,25 netto per maand. Op grond van overgangsrecht is dit bedrag verhoogd met een bedrag van € 3.332,- per jaar. Ook de andere hierboven bedoelde hulpbehoevenden verblijven en ontvangen zorg in het zorgcentrum. Ook dit verblijf en die zorg worden bekostigd uit pgb’s. 1.3 Bij besluit van 15 september 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zederik aan betrokkene meegedeeld dat zij het verleende pgb met ingang van 2 september 2015 niet meer mag gebruiken om zorg bij appellante 1 in te kopen, omdat deze zorg volgens hem niet van voldoende kwaliteit is. In het besluit is meegedeeld dat de indicatie niet wordt ingetrokken, maar dat de betalingen uit het pgb wel tijdelijk worden stopgezet. Als wettelijke grondslag voor het besluit zijn genoemd de artikelen 2.3.1 en 2.3.6 Wmo 2015 en artikel 2.14 Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Giessenlanden. Aanleiding voor een onderzoek naar de kwaliteit van de geleverde zorg was de aanhouding op verdenking van een zedenmisdrijf van de oprichter van appellante 1. Uit het onderzoek is het bestuur gebleken dat de stichting te weinig geschoold personeel heeft om alle cliënten de juiste zorg te verlenen, dat de verleende zorg niet voldoende gestructureerd is en dat er sprake is van rolverwarring tussen cliënten en medewerkers, omdat ook cliënten werkzaamheden verrichten voor de stichting. Niet alleen het bestuur, maar ook gemeenten in de omgeving hebben signalen ontvangen dat de verleende zorg niet van voldoende niveau is. 1.4 Tegen het besluit van 15 september 2015 hebben appellante 1 en betrokkene separaat bezwaar gemaakt. Appellante 1 heeft, voor zover hier van belang, aangevoerd dat zij bij het aan betrokkene gerichte besluit een eigen belang heeft, omdat zij als gevolg van - onder meer - dat besluit geen inkomsten meer ontvangt. Zij wordt daardoor in haar voortbestaan geraakt. Met dit belang heeft zij een andersoortig belang dan haar cliënten. Appellante 1 en betrokkene hebben in hun bezwaarschriften weersproken dat de geleverde zorg van onvoldoende kwaliteit is en zij betwisten de feiten die aan het besluit ten grondslag zijn gelegd, voor zover deze blijken uit het besluit. Omdat zij niet beschikken over het rapport dat van het onderzoek is opgemaakt, kunnen zij zich verder moeilijk verweren tegen het besluit. Daarnaast bestrijden appellante 1 en betrokkene dat de beslissing kan worden genomen op de door het bestuur genoemde wettelijke grondslagen en menen zij dat zij in ieder geval hadden moeten worden gehoord voordat het besluit werd genomen. De belangen van appellante 1 en betrokkene zijn mede daardoor onvoldoende belicht, terwijl die belangen wel een rol spelen, omdat bij de beoordeling van een aanspraak op een maatwerkvoorziening een belangenafweging moet worden gemaakt. De nu gemaakte afweging leidt voor appellante 1 en voor betrokkene tot een onevenredig nadelig gevolg, zodat het besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 3:4 Awb. 1.5 Omdat het besluit van 15 september 2015 onbevoegd bleek te zijn genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zederik, is op 30 november 2015 een gelijkluidend besluit genomen door het - bevoegde - college van burgemeester en wethouders van de gemeente Giessenlanden. De bezwaren van appellante 1 en betrokkene zijn gericht geacht tegen dat laatstgenoemde besluit. 1.6 Bij besluit van 18 december 2015 heeft het bestuur het bezwaar van appellante 1 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij niet als belanghebbende bij het besluit van 15 september 2015 kan worden aangemerkt, omdat zij niet rechtstreeks in haar belangen wordt geraakt. Haar belangen bij het besluit vloeien voort uit de contractuele relatie die zij met betrokkene heeft. Het bestuur heeft in dit verband gewezen op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 april 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4300, 4 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3386, en 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2289. Bij besluit van 18 februari 2016 heeft het bestuur het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. 1.7 Bij uitspraak van 27 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:7324, heeft de rechtbank Rotterdam het beroep van betrokkene tegen het besluit van 18 februari 2016 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat betrokkene geen belang meer had bij beoordeling van dat besluit, nu zij haar pgb inmiddels besteedde bij een andere zorgverlener dan appellante 1 en zij ter zitting heeft verklaard ook niet meer naar appellante 1 terug te gaan. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Tegen het besluit van 18 december 2015 heeft appellante 1 beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat zij als gevolg van dit besluit (en andere aan andere cliënten van appellante 1 gerichte besluiten van dezelfde strekking) failliet gaat. Appellante 1 heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing feitelijk een negatieve beoordeling van haar werk vormt en de beslissing tot gevolg heeft dat zij geen cliënten meer kan opvangen. Zij lijdt hierdoor ernstige schade. Uit het besluit van 15 september 2015, maar meer nog uit de conceptbeslissing van 12 januari 2016 op het door betrokkene zelf ingediende bezwaar, blijkt dat de beslissing betrekking heeft op de kwaliteit van appellante 1 en zij wil zich tegen de punten van kritiek kunnen verweren. Zij heeft zich beroepen op uitspraken van de ABRvS van 21 augustus 2013, ECLI:Nl:RVS:2013:847, en 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3669, in zaken die volgens haar juridisch vergelijkbaar zijn. 1.8 Bij uitspraak van 8 maart 2016, 16/889 en 16/387, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam het beroep na toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 Awb ongegrond verklaard. Appellante 1 kan naar haar oordeel niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb worden aangemerkt. Appellante 1 heeft een contractuele relatie met betrokkene (en andere cliënten), waarvan het bestuur het pgb heeft beëindigd, omdat het verstrekte pgb werd besteed door zorg in te kopen bij appellante. Hoewel het (financieel) belang van appellante 1 door het besluit van 15 september 2015 kan worden geraakt, komen de gevolgen van dit besluit voor haar eerst via de contractuele relatie tot stand. Aldus heeft appellante 1 een afgeleid belang en is haar belang niet rechtstreeks bij het besluit van 15 september 2015 betrokken. De voorzieningenrechter heeft voor haar oordeel gewezen op de uitspraak van de ABRvS van 13 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9028, en van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 2 februari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV5176. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is met die die aan de orde was in de door appellante 1 aangehaalde uitspraken van de ABRvS. Allereerst is door appellante 1 niet aannemelijk gemaakt dat herroeping van het primaire besluit ertoe zou leiden dat betrokkene wederom bij appellante 1 de benodigde zorg zou inkopen. De enkele stelling van appellante 1 is daartoe onvoldoende. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het primaire besluit appellante 1 er niet van hoeft te weerhouden om cliënten aan te nemen en zorg te verlenen. Deze zorg mag niet worden bekostigd uit een door het bestuur verleend pgb. Tot slot is in de hier aan de orde zijnde zaak geen sprake van een situatie dat de belangen van appellante 1 bij herroeping van het primaire besluit tegengesteld zijn aan de belangen van betrokkene bij de herroeping van dat besluit nu beide met het indienen van bezwaar hebben beoogd dat het primaire besluit wordt herroepen. Het feit dat appellante 1 door de beëindiging van het pgb aan betrokkene schade heeft geleden, maakt dit niet anders. Er bestaat aldus geen grond voor schadevergoeding en er is geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. 1.9 Appellante 1 heeft bij brief van 14 april 2014 op nader aan te voeren gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Bij brief van 29 juni 2016 heeft zij het hoger beroep van de gronden voorzien. Appellante 1 heeft zich op het standpunt gesteld dat zij is aan te merken als belanghebbende in de zin van de Awb. Dat de gevolgen van de besluiten voor haar eerst via de contractuele relatie tot stand komen, betekent volgens haar niet automatisch dat er geen sprake is van belanghebbendheid. In dit verband heeft zij - opnieuw - gewezen op de uitspraak van de ABRvS van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:847. Volgens appellante 1 moet er worden gekeken naar de juridische grondslag van het besluit. Het besluit treft primair haar en heeft daarmee een directe uitwerking gehad op de cliënten van appellante 1. Door haar bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren kan zij het onjuiste beeld dat over haar is geschetst en dat tot het bestreden besluit heeft geleid, niet corrigeren. Zou zij al een afgeleid belang hebben, dan nog zou zij als belanghebbende moeten worden aangemerkt, omdat het besluit haar raakt in de fundamentele rechten op arbeid en eigendom, zoals ook aan de orde was in de uitspraken van de ABRvS van 5 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2906, en 21 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB8396. Appellante 1 heeft tot slot verzocht de door haar geleden schade door het bestuur te laten vergoeden. Deze schade wordt door haar geschat op € 332.419,10. 1.10 Het bestuur heeft zich in reactie op het hoger beroep van appellante 1 op het standpunt gesteld dat de uitspraak van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:847, op de voorliggende zaak niet van toepassing is. 1.11 Bij brief van 14 augustus 2017 heeft appellante 1 een nadere reactie gegeven op wat door het bestuur is aangevoerd. Daarin is gesteld dat alleen zij, en niet betrokkene of een andere cliënt van appellante 1, in staat is om aan te tonen dat aan de kwaliteitseisen van de Wmo 2015 is voldaan. Juist daarom zou zij in de procedure betrokken moeten zijn. Voor zover zou worden aangenomen dat de in de Wmo 2015 neergelegde kwaliteitsnormen niet strekken tot bescherming van appellante, verzoekt appellante 1 aan haar niet het bepaalde in artikel 8:69a Awb tegen te werpen, in welk verband zij zich beroept op de mogelijkheid van correctie van de werking van dit artikel (“correctie Widdershoven”). Wettelijk kader 1.12 Voor de beoordeling zijn de volgende wettelijke bepalingen, zoals die golden ten tijde hier in geding, van belang. Artikel 2.3.1 Wmo 2015 Het college draagt er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Artikel 2.3.6 Wmo 2015 1. Indien de cliënt dit wenst, verstrekt het college hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. 2. Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget wenst geleverd te krijgen; c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. 3. Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in het tweede lid, onder c, weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. 4. Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 5. Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren: a. voor zover de kosten van het betrekken van de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening of; b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e. 6. Op een persoonsgebonden budget is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel 7.2, eerste lid, onder b, Verordening maatschappelijke ondersteuning Giessenlanden 2015 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college houdt bij het leveren van diensten door derden en het vaststellen van de tarieven daarvan in ieder geval rekening met: (…) b. de vereiste deskundigheid en vaardigheden van de beroepskrachten; (…) Artikel 2.14 Verordening beschermd wonen en opvang gemeente Giessenlanden 2015 Criteria persoonsgebonden budget Het college weigert de verlening van een persoonsgebonden budget indien: a. de cliënt het door het college vastgestelde budgetplan niet of niet volledig ingevuld heeft overgelegd; b. de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of, na voor een gesprek daarover te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; c. de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard; d. ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend; e. de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen; f. het naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit; g. het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget; 2. Feiten en procesverloop [zaak 2] 2.1 Het geschil heeft betrekking op de vraag of appellante 2, kan worden beschouwd als belanghebbende bij een aan een werkneemster van de [naam stichting 2] (werkgever) gericht besluit tot wijziging van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Werkgever was bij appellante 2 verzekerd tegen het risico van arbeidsongeschiktheid van haar werknemers en is op 5 februari 2013 failliet verklaard en op 2 april 2014 uitgeschreven uit het Handelsregister. 2.2 [Naam werkneemster] , voormalig werkneemster (werkneemster) van werkgever, heeft op 19 november 2009 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Werkneemster is met ingang van 26 oktober 2009 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering (werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten) op grond van de Wet WIA. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster vastgesteld op 100%. Bij besluit van 8 juli 2010 heeft het Uwv werkgever geïnformeerd dat, gelet op het feit dat werkgever eigenrisicodrager is voor de WGA, de uitkering aan werkneemster achteraf op werkgever wordt verhaald. 2.3 Bij besluit van 13 mei 2013 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering van werkneemster met ingang van 26 juni 2010 beëindigd en werkneemster met ingang van die datum in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellante 2 heeft bij brief van 10 juni 2013 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Volgens haar zou werkneemster in aanmerking behoren te komen voor een IVA-uitkering (inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten). In een aanvullend bezwaarschrift van 25 juni 2013 heeft appellante 2 uiteengezet dat zij op grond van artikel 84, tweede lid, Wet WIA in combinatie met artikel 40, tweede lid, Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) rechtstreeks in haar belang wordt getroffen door het besluit van 13 mei 2013, zodat zij op grond van artikel 1:2 Awb is aan te merken als belanghebbende. 2.4 Bij besluit van 24 juli 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellante 2 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het Uwv kan appellante 2 niet als belanghebbende worden aangemerkt, omdat zij als garantsteller van de failliete eigenrisicodrager (werkgever) slechts een afgeleid belang heeft. 2.5 Op 22 december 2014 heeft de rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2014:15840, het beroep van appellante 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat in dit geval de aan de werkneemster toegekende en uitbetaalde WGA-loonaanvullingsuitkering - gelet op het bepaalde in artikel 84, tweede lid, Wet WIA - als gevolg van het faillissement van de werkgever zal worden verhaald op de garantsteller. Nu appellante 2 de garantsteller van de failliete werkgever is, volgt de rechtbank appellante 2 in zoverre in haar betoog dat een besluit ten aanzien van de WIA-uitkering van een werknemer (mogelijk grote) financiële consequenties voor haar heeft. De rechtbank is echter van oordeel dat deze gevolgen voortvloeien uit de garantie van appellante 2 jegens het Uwv en het daarop gebaseerde verhaalsbesluit. Zowel de garantie waaruit de garantstelling voortvloeit als het faillissement op grond waarvan de garantie wordt ingeroepen, zijn privaatrechtelijk van aard en de privaatrechtelijke rechtsgang biedt volgens de rechtbank voldoende waarborgen de contractuele belangen van appellante 2 jegens het Uwv te beschermen. Ook de stelling van appellante 2 dat zij door het faillissement van werkgever in een financieel nadeliger positie is komen te verkeren, is niet gevolgd door de rechtbank. De rechtbank heeft in dit verband gewezen op artikel 2 van de voorwaarden behorende bij het garantiecontract, waarin is bepaald dat de WGA-eigenrisicoverzekering strekt tot het verlenen van schadevergoeding aan de eigenrisicodrager indien deze uit hoofde van het eigenrisicodragerschap gehouden is WGA-uitkeringen te betalen. Appellante 2 had toen de WGA-uitkering aan werkgever werd toegerekend op basis van artikel 2 van het garantiecontract meteen de uitkeringsbetaling aan de werkneemster voor haar rekening moeten nemen. Bezien in dit licht brengt het faillissement van de werkgever op grond waarvan artikel 84, tweede lid, Wet WIA van toepassing is, naar het oordeel van de rechtbank de facto geen wijziging in de positie van appellante 2 als financiële garantsteller. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de aanwezigheid van een tegengesteld belang niet per definitie leidt tot het aannemen van een rechtstreeks belang. In dit geval is de bron van de financiële verplichtingen van appellante 2 tot betaling van de WGA-loonaanvullingsuitkering uitsluitend gelegen in het garantiecontract tussen appellante 2 en de eigenrisicodrager. Tot slot is volgens de rechtbank van een parallel belang in dit geval geen sprake. Het belang van werkgever als eigenrisicodrager is gelegen in het beperken van de kosten als gevolg van het verhaal van aan werknemers toegekende uitkeringen. Het belang van appellante 2 bij het toekenningsbesluit betreft, gelet op het garantiecontract, het minder uitkeren van schade. Van een onlosmakelijk en rechtstreeks verband tussen die belangen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. 2.6 Tegen deze uitspraak heeft appellante 2 hoger beroep ingesteld. Appellante 2 heeft benadrukt dat in dit geval werkgever vanwege zijn faillissement niet meer kan opkomen tegen het besluit. De curator van de stichting kon evenmin rechtsmiddelen aanwenden tegen het besluit, omdat de uitkomst van de procedure geen invloed heeft op de failliete boedel. Op grond van artikel 84, tweede lid, Wet WIA is - na het faillissement van werkgever - de betalingsverplichting voor appellante 2 ontstaan, zodat zij op die grond als belanghebbende moet worden aangemerkt. In tegenstelling tot wat de rechtbank heeft overwogen, is daarvoor geen separaat verhaalsbesluit van het Uwv vereist. Appellante 2 heeft benadrukt dat in eerste instantie de betalingsverplichting voortvloeide uit de verzekeringsovereenkomst tussen haar en werkgever, maar dat na het faillissement van werkgever de betalingsverplichting rechtstreeks voortvloeide uit artikel 84 Wet WIA. In dit verband is erop gewezen dat zij na het faillissement van werkgever geen verzekeringspremies meer ontving en de verzekering per die datum is beëindigd. Appellante 2 heeft uiteengezet dat een werkgever op grond van artikel 83 Wet WIA als eigenrisicodrager gehouden is de uitkering aan de werknemer te betalen en dat als de werkgever dat niet doet het Uwv de uitkering betaalt en vervolgens verhaalt op de werkgever. Artikel 84, tweede lid, Wet WIA bepaalt dat bij faillissement van de werkgever het Uwv de uitkering eveneens betaalt en deze verhaalt op de verzekeraar. In zoverre treedt appellante 2 in dezelfde positie als de werkgever. Appellante 2 heeft benadrukt dat zij een tegengesteld belang heeft aan degene aan wie het besluit is gericht. Daarnaast heeft appellante 2 een eigen belang en ook een groter belang dan de (failliete) werkgever, aangezien voor haar betalingsverplichtingen ontstaan naar aanleiding van het besluit, die na het faillissement van werkgever op grond van de wet rechtstreeks op haar kunnen worden verhaald. Volgens appellante 2 zal een civielrechtelijke procedure in dit geval haar belangen onvoldoende kunnen waarborgen, omdat zij een eventuele civiele procedure uitsluitend kan baseren op ‘onrechtmatige daad’. Deze toets is volgens appellante 2 veel zwaarder dan de toets die de bestuursrechter aanlegt. Bovendien is niet snel in te zien op grond waarvan het gebruik maken van een rechtmatig besluit onrechtmatig zou kunnen zijn. 2.7 Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat werkgever nog zelf had kunnen opkomen tegen het besluit, aangezien het faillissement nog niet was afgewikkeld. Het Uwv heeft benadrukt dat de belangen van de garantsteller niet identiek zijn aan die van de eigenrisicodrager, aangezien de garantsteller alleen hoeft te betalen als de eigenrisicodrager niet betaalt. Volgens het Uwv wordt het belang van de garantsteller alleen geraakt doordat er een specifieke (garantstellings)overeenkomst is met een specifieke andere belanghebbende (werkgever). Zonder die overeenkomst heeft het besluit over de uitkering geen effect op de garantsteller. In dit verband heeft het Uwv ook gesteld dat als er in de Wet WIA geen grondslag zou zijn opgenomen voor verhaal op de garantsteller, het Uwv de uitkering via privaatrechtelijke weg zou kunnen verhalen. Het belang van de garantsteller is dan ook niet andersoortig dan dat van de eigenrisicodrager. Volgens het Uwv heeft appellante 2 slechts een belang dat is afgeleid van het belang van werkgever. De omstandigheid dat bewust en vrijwillig een garantstellingsovereenkomst wordt aangegaan en aldus het risico wordt geaccepteerd, kan er volgens het Uwv niet toe leiden dat de garantsteller zichzelf daarmee tot belanghebbende kan verheffen. Het Uwv heeft er voorts op gewezen dat als appellante 2 als belanghebbende wordt aangemerkt een vierde partij, die geen band heeft met werkneemster, inzage in en invloed op het besluit over de uitkering krijgt. Dit is een belangrijke inbreuk op de privacy van werkneemster. Het Uwv heeft voorts betoogd dat werkgever met ingang van het faillissement geen eigenrisicodrager meer is op grond van artikel 40, tiende lid, Wfsv, maar dat wel de plicht tot betaling van de WGA-uitkering blijft bestaan. Dit betekent dat werkgever na faillissement zowel vanuit een premiebelang als vanuit de betalingsverplichting als eigenrisicodrager een reëel procesbelang heeft bij een toerekeningsbesluit. De garantsteller betaalt voor de werkgever omdat de garantsteller garant staat voor de verplichtingen die uit het zelf dragen van het risico voortvloeien (art. 40, tweede lid, Wfsv). Beide hebben volgens het Uwv dus een betalingsverplichting en zijn hoofdelijk aansprakelijk. Als de betalingsverplichting voor de eigenrisicodrager zou vervallen door het faillissement, dan zou de garantstelling ook niet kunnen worden ingeroepen omdat er dan geen verplichtingen meer zijn voor de eigenrisicodrager. Wettelijk kader 2.8 Voor de beoordeling zijn de volgende wettelijke bepalingen, zoals die golden ten tijde hier in geding, van belang. Op grond van artikel 82, eerste lid, Wet WIA draagt de eigenrisicodrager gedurende een bij ministeriële regeling te bepalen periode nadat het recht op een WGA-uitkering is ontstaan, het risico van de betaling van die uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot de eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond. Op grond van artikel 84, eerste lid, Wet WIA, zoals deze bepaling destijds luidde, draagt de eigenrisicodrager vanaf het moment dat hij eigenrisicodrager wordt overeenkomstig artikel 82 het risico van de betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot hem in dienstbetrekking stond, ook als die wachttijd is ingegaan vóór de dag waarop deze werkgever eigenrisicodrager werd. Op grond van artikel 84, tweede lid, Wet WIA, betaalt het Uwv indien de eigenrisicodrager in staat van faillissement is verklaard, of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel indien hij ophoudt werkgever te zijn, de WGA-uitkering en verhaalt het deze uitkering (…) op de bank of verzekeraar, bedoeld in artikel 40, tweede lid van de Wfsv. Op grond van artikel 115 Wet WIA kan het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel 83 bedoelde betaling danwel tegen de in artikel 38, tweede of derde lid, van de Wfsv, bedoelde opslag of korting niet zijn gegrond op de grief, dat een uitkering op grond van deze wet ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van artikel 117, eerste lid, Wet WIA vinden intrekking van het recht op een uitkering op grond van deze wet of verlaging van de hoogte ervan, die voortvloeien uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, niet eerder plaats dan zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Uwv geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever. Op grond van artikel 117, tweede lid, Wet WIA geldt het eerste lid niet, indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van artikel 40, tweede lid, Wfsv legt de werkgever bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een schriftelijke garantie over waaruit blijkt dat een bank of een verzekeraar zich jegens het UWV verplicht, op het eerste verzoek van het Uwv waarbij het Uwv schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. Op grond van artikel 40, tiende lid, Wfsv eindigt het door de werkgever zelf dragen van het risico, met ingang van de dag waarop de schriftelijke garantie, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk met ingang van de dag waarop de eigenrisicodrager in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard dan wel de dag waarop hij ophoudt werkgever te zijn. 3. Behandeling ter zitting De zaken zijn op 26 september 2018 ter zitting van de CRvB behandeld door een grote kamer als bedoeld in artikel 8:10, vierde lid, Awb, waarin zitting hebben H.C.P. Venema (voorzitter), R.M. van Male, T.G.M. Simons, B.J. van Ettekoven en C.H.M. van Altena. In zaak 1 is namens appellante 1 verschenen mr. J.W.D. Roozemond. Voor het Drechtstedenbestuur zijn verschenen C.A.M. Nusteling en T.J.A. Franssen. Tijdens de zitting was ik in mijn hoedanigheid als Raadsheer Advocaat-Generaal aanwezig en heb ik aan partijen vragen gesteld. In zaak 2 zijn namens appellante 2 verschenen mr. A.M. Nijboer, mr. W.A.J. Jansen en E.A.J. Konijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren. Werkneemster is niet verschenen. Tijdens de zitting was ik in mijn hoedanigheid als Raadsheer Advocaat-Generaal aanwezig en heb ik aan partijen vragen kunnen stellen. 4. Het verzoek om conclusie 4.1 Bij brief van 14 juni 2018 heeft de president van de CRvB mij verzocht om in de zaken nr. 15/834 WIA (zaak 2) en nr. 16/2353 WMO (zaak 1) een conclusie, als bedoeld in artikel 8:12a Awb, te nemen, en heeft hij mij de volledige dossiers waarover de CRvB beschikt, doen toekomen. Bij brieven van respectievelijk 9 juli 2018 en 11 juli 2018 zijn partijen op de hoogte gesteld van het feit dat de zaak aanleiding heeft gegeven mij om een conclusie te verzoeken. De aan mij gerichte brief is in kopie bij deze aan partijen gerichte brieven gevoegd. 4.2 De aan mij gerichte brief van 14 juni 2018 vermeldt dat in deze zaken de vraag moet worden beantwoord of de derde die rechtsmiddelen heeft aangewend slechts een afgeleid belang bij het bestreden besluit heeft of dat hij een eigen belang heeft dat rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken, zoals bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, Awb. Ook bevat de brief een korte beschrijving van de geschillen. Ten behoeve van de rechtsontwikkeling is verzocht een conclusie te nemen over de volgende rechtsvragen: “Aan de hand van welke maatstaven moet worden beoordeeld of een derde belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij een niet aan die derde geadresseerde beschikking waarbij het recht op uitkering van de geadresseerde of een andere financiële aanspraak van de geadresseerde in het sociale domein wordt vastgesteld? Welke betekenis komt daarbij toe aan: - het belang van de rechtszekerheid van de geadresseerde als deze om hem/haar moverende redenen niet tegen het besluit opkomt; - de aard van het belang waarin de derde door het bestreden besluit wordt geraakt; is daarbij van belang dat het getroffen belang van de derde volgt uit een door hem met de geadresseerde dan wel een andere dan de geadresseerde gesloten overeenkomst; - de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen die op het leerstuk van het afgeleid belang gemaakt worden voor derden die (ten dele) kunnen wijzen op een afwijkend (tegengesteld) belang of een door een fundamenteel recht of een zakelijk recht beschermd belang; hoe dienen de begrippen fundamenteel recht en zakelijk recht in dit verband te worden uitgelegd; - het eventuele gegeven dat gedragingen van de derde zelf de directe aanleiding zijn voor het aan de geadresseerde gerichte besluit; zou in het geval de handelwijze van de derde aanleiding vormt voor het nadelige besluit op grond van een causale redelijkheidstoets een uitzondering moeten worden gemaakt op de regel dat iemand met een afgeleid belang geen eigen belang heeft, in het bijzonder wanneer deze in een dergelijk geval belang heeft bij een juiste vaststelling van de feiten en toepasselijke voorschriften (zie de annotatie van M.E. Rog in Gst. 2018/10); - het belang van de rechtsmachtverdeling, dat meebrengt dat rechtsvragen worden beantwoord door de meest gerede rechter en dat tegenstrijdige uitspraken over dezelfde kwestie zoveel mogelijk moeten worden voorkomen; - het vraagstuk van de rechtsbescherming bij ketenbesluitvorming: moet de derde opkomen tegen het besluit over de uitkering/financiële verstrekking van/aan de geadresseerde, of moet hij het besluit afwachten waarbij de uitkering/de financiële verstrekking op hem wordt verhaald; is daarbij van belang wat de derde in het kader van die verhaalsprocedure volgens de bestuursrechter nog kan aanvoeren tegen de uitkering/de financiële verstrekking en welke betekenis komt daarbij toe aan de eventuele omstandigheid dat de werkgever ten tijde van de besluitvorming over het recht op uitkering/financiële verstrekking nog niet in staat van faillissement is verklaard of nog niet is opgehouden werkgever te zijn?” 4.3 De door mij genomen conclusie geeft voorlichting aan het college, maar bindt het college niet (artikel 8:12a, achtste lid, Awb). 4.4 De vraag van de president betreft het leerstuk van afgeleid belang. Kort gezegd - in punt 5.1 ga hierop dieper in - komt dat leerstuk erop neer dat een persoon of entiteit niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb, wordt aangemerkt als deze slechts middellijk, namelijk via het belang van een ander, door een besluit in zijn of haar belangen wordt geraakt. Veelal, maar niet altijd, hebben beide een contractuele relatie met elkaar. Het gevolg hiervan is onder meer dat betrokkene geen Awb-rechtsmiddelen (bezwaar, beroep) kan aanwenden tegen dat besluit. De hoofdvraag is toegespitst op de problematiek van afgeleid belang in het sociale domein, het domein waarin de CRvB de hoogste bestuursrechter is. Gelet op het feit dat de zaak is verwezen naar de grote kamer zal ik de problematiek echter breder benaderen en komen tot bevindingen die evenzeer van belang zijn voor de ABRvS (hierna ook: Afdeling) en het CBb (hierna ook: College). Dat ligt ook voor de hand omdat de status van belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb, eerste lid, Awb, en dus ook het leerstuk van afgeleid belang, ook in het domein waarbinnen de ABRvS en het CBb als hoogste rechter optreden, bepalend is voor onder meer de toegang tot de rechter. In de vraag noemt de president als een van de punten die voor het leerstuk van afgeleid belang van belang zou kunnen zijn en waaraan ik dus aandacht zou kunnen besteden de rechtsbescherming bij ketenbesluitvorming. Gelet op de toelichting betreft deze wens alleen de betekenis van dit onderwerp voor zover dat aan de orde is in de zaak van de appellante 2, waarin inderdaad sprake is van een besluitenketen die (onder meer) bestaat uit een uitkeringsbesluit en een verhaalsbesluit. Voor zover van belang voor die zaak, zal ik daarom aandacht besteden aan de rechtsbescherming bij ketenbesluitvorming. In deze conclusie ga ik echter niet in algemene zin op deze rechtsbescherming in. Als zodanig heeft dit thema immers niets te maken met afgeleid belang. Bovendien is het te omvangrijk om er ‘even bij te doen’. Mochten zich op dit punt vragen van rechtseenheid en/of rechtsontwikkeling voordoen, dan is het wellicht een geschikt onderwerp voor een apart conclusieverzoek. 4.5 De opbouw van deze conclusie is als volgt. Paragraaf 5 bevat inleidende beschouwingen over het begrip belanghebbende en de plaats daarbinnen van het leerstuk van afgeleid belang. In dat kader besteed ik ook aandacht aan het begrip ‘procesbelang’ en de mogelijke (aanvullende) rechtsbescherming die de burgerlijke rechter kan verlenen. In paragraaf 6 analyseer ik de relevante rechtspraak van de drie al genoemde hoogste bestuursrechters. Daaruit blijkt dat het leerstuk van afgeleid belang in beweging is (geweest) en dat de rechtspraak tussen en binnen de hoogste rechtscolleges niet in alle opzichten consistent is. In paragraaf 7 bespreek ik de literatuur. Het leerstuk van afgeleid belang is niet onomstreden en in de literatuur werden en worden door diverse auteurs voorstellen tot verandering gedaan. Paragraaf 8 bevat mijn algemene standpunt over de toekomstige invulling van het leerstuk van afgeleid belang. In dat kader komen ook de meer algemene aandachtspunten uit de vraag van de president aan de orde. In paragraaf 9 spits ik het algemene antwoord toe op het sociaal domein, meer in het bijzonder op de situaties die aan de orde zijn in de zaken waarin deze conclusie is verzocht. 5. Inleidende beschouwingen 5.1 Het begrip ‘belanghebbende’ is een van de kernbegrippen van het bestuursrecht. Onder belanghebbende wordt verstaan: ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is’ (art. 1:2, eerste lid, Awb). De status van belanghebbende is bepalend voor de mogelijkheid om tegen een besluit Awb-rechtsmiddelen aan te wenden. In de regel betreffen die rechtsmiddelen het maken van bezwaar (art. 7:1 Awb), het instellen van beroep bij de rechtbank (art. 8:1 juncto art. 8:6 Awb) en het instellen van hoger beroep bij een van de al genoemde hoogste bestuursrechtelijke rechtscolleges (art. 8:104 juncto art. 8:105 Awb). Het begrip ‘belanghebbende’ is echter niet alleen van belang voor de toegang tot de bestuursrechter, maar bepaalt veelal ook welke personen en entiteiten in de bestuurlijke fase, bij de voorbereiding van besluiten, een bijzonder positie innemen. Zo moet een bestuursorgaan voordat het over een aanvraag om een beschikking kan beslissen, onder omstandigheden (derde-)belanghebbenden die deze beschikking niet hebben aangevraagd in de gelegenheid stellen om hun zienswijze naar voren te brengen over die aanvraag (art. 4:8 Awb). Zoals uit de Awb-definitie van belanghebbende blijkt, wordt een persoon of entiteit al als belanghebbende gekwalificeerd als diens belangen bij een besluit ‘betrokken’ zijn. Anders dan onder voorganger van de Awb, de Wet Arob, is het onder de Awb niet meer noodzakelijk dat betrokkene door dat besluit wordt ‘getroffen’. Deze verruiming heeft primair te maken met het feit dat, zoals hiervoor al is aangegeven, het belanghebbendevereiste onder de Awb ook van betekenis is bij de voorbereiding van besluiten. Op dat moment staat nog niet vast hoe het bestuursorgaan op een aanvraag om bijvoorbeeld een vergunning zal beslissen en of de vergunning zal worden verleend (onder voorschriften) of geweigerd, en dus evenmin of een derde door dat besluit ‘getroffen’ zal worden. De belangen van die derde zijn echter wel bij dat besluit ‘betrokken’. Deze verruiming is echter ook van belang voor de contentieuze fase, omdat ook daarin geldt dat een derde al belanghebbende is als zijn belangen bij het besluit ‘betrokken’ zijn. Dit betekent dat, zoals inmiddels ook in de rechtspraak wordt erkend, dat die derde ook belanghebbende is bij een afwijzing van een aanvraag van een direct-belanghebbende, ook al is hij het met die afwijzing eens (en wordt hij daardoor dus niet in zijn belang ‘getroffen’). Dat is ook logisch, omdat de afwijzing door de rechter kan worden vernietigd en het zelfs denkbaar is dat de bestuursrechter, al dan niet na een bestuurlijke lus, zelf in de zaak voorziet door de vergunning alsnog te verlenen. Wil de derde in deze procedure zijn belangen als partij in de zin van artikel 8:26 Awb kunnen verdedigen, dan moet hij als ‘belanghebbende’ worden aangemerkt. Die status is ook van belang als de eerste rechter de zaak terugwijst naar de fase van bezwaar, of als de derde hoger beroep zou willen instellen tegen de uitspraak van de rechtbank. Doordat artikel 1:2, eerste lid, Awb slechts de eis van ‘betrokkenheid’ stelt, wordt gegarandeerd dat een derde ook bij voor hem ‘gunstige’ besluiten belanghebbende is. Tegelijkertijd betekent dat niet dat zijn beroep altijd ontvankelijk is. Dit is namelijk niet het geval als betrokkene geen ‘procesbelang’ heeft. Daarop ga ik onder punt 5.4 nader in. 5.2 Het begrip ‘belanghebbende’ is door de bestuursrechters in een overvloedige rechtspraak nader uitgewerkt. Volgens die rechtspraak wordt een persoon of entiteit alleen als zodanig gekwalificeerd als cumulatief voldaan is aan vijf criteria. De betrokkene moet daartoe een eigen, persoonlijk, objectief bepaalbaar, actueel en voldoende zeker, alsmede een rechtstreeks ‘betrokken’ belang hebben. Deze criteria worden wel aangeduid als de OPERA-criteria, omdat de eerste letters ervan in een iets andere volgorde het woord ‘opera’ vormen. De problematiek van afgeleid belang hoort conceptueel thuis bij de eis van rechtstreekse betrokkenheid. In die eis ligt een causaliteitsgedachte besloten, in die zin dat een persoon of entiteit alleen als belanghebbende kan worden gekwalificeerd als er een voldoende oorzakelijk verband bestaat tussen het besluit en de aantasting van de (feitelijke) belangen van betrokkene. Anders gezegd: het moet voldoende vaststaan dat als het besluit wordt genomen de gevreesde of gewenste gevolgen voor de belangen van betrokkene zullen ontstaan. Van een dergelijke causaliteit is mogelijk geen sprake als de belangen van betrokkene niet direct, maar middellijk - via het belang van een ander - bij een besluit betrokken zijn, casu quo als diens belang afgeleid is van het belang van die ander. De relatie tussen die ander en betrokkene is meestal een contractuele relatie, maar ook anderszins privaatrechtelijke rechtsbetrekkingen komen in dit verband voor (eigendom, vennootschapsrechtelijk, familierechtelijk). In deze conclusie zal ik gemakshalve steeds spreken van ‘contractuele relatie’. Bij de totstandkoming van de Awb heeft de wetgever nauwelijks richting gegeven aan de toepassing van het leerstuk van afgeleid belang. In de memorie van toelichting op artikel 1:2 Awb wordt volstaan met de opmerking dat met de woorden ‘wiens belang rechtstreeks is betrokken’ in het eerste lid “een zekere begrenzing wordt beoogd”, maar wordt aan die begrenzing in relatie tot afgeleid belang geen nadere inhoud gegeven. Wel wordt in de memorie van toelichting met instemming melding gemaakt van een uitspraak van de Afdeling , waarin de werknemers van een stichting niet als belanghebbende werden aangemerkt bij een subsidiebesluit voor de activiteiten van de stichting, hoewel dat besluit invloed kon hebben op hun honorering. De honorering is een “een zaak tussen betrokkene en de stichting”. Deze opmerking is tijdens de verdere parlementaire behandeling niet weersproken, zodat met enige voorzichtigheid kan worden gesteld dat de wetgever in zoverre geen problemen had met de toepassing van afgeleid belang. De hier vermelde uitspraak biedt een eenvoudig voorbeeld van de leer van afgeleid belang. Op zichzelf hebben de werknemers er belang bij om tegen het subsidiebesluit in beroep te gaan, omdat het besluit van invloed kan zijn op hun honorering. Dit belang vloeit echter voort uit de arbeidsrechtelijke relatie met het stichtingsbestuur en is daarmee afgeleid van het belang van dat bestuur. Daarom voldoet het niet aan de eis van rechtstreekse betrokkenheid. Alleen de stichting en niet de werknemers kan daarom beroep instellen bij de bestuursrechter. In het voorbeeld hebben de werknemers en het direct-belanghebbende stichtingsbestuur parallelle belangen. Beide hebben er belang bij dat het subsidiebesluit wordt vernietigd. In dergelijke situaties staat het leerstuk van het afgeleid belang er vaak aan in de weg dat de derde als belanghebbende wordt aangemerkt. Afgeleid belang werd vooral in het verleden, maar wordt soms ook nu nog aangenomen in de situatie dat de belangen van de direct-belanghebbende en derde tegengesteld zijn (contraire belangen). Op beide situaties kom ik in deze conclusie nog uitvoerig terug. Ten slotte nog een kwestie van terminologische aard. In het vervolg wordt de entiteit die vanwege afgeleid belang mogelijk niet als belanghebbende wordt aangemerkt, hierna steeds aangeduid als ‘derde’. Die entiteit aan wie hij zijn (mogelijk) afgeleid belang ontleent, wordt afwisselend aangeduid als direct-belanghebbende, geadresseerde of als eerstbetrokkene. 5.3 In geval van parallelle belangen wordt het leerstuk van afgeleid belang ook wel in verband gebracht met het vereiste van ‘eigen belang’, het vereiste dat iemand alleen voor zijn eigen belang kan opkomen en niet voor dat van een ander. Op grond ervan is bijvoorbeeld de zoon geen belanghebbende bij een besluit tot afwijzing van het subsidieverzoek van zijn vader. Bij parallelle belangen is iets dergelijks aan de hand, omdat de derde dan wil opkomen tegen een besluit waarbij primair de belangen van een andere belanghebbende zijn betrokken, en waarvan men zou kunnen zeggen dat het beroep van die derde dus niet zijn ‘eigen belang’ betreft. Hoewel men een dergelijke formulering in de rechtspraak wel tegenkomt, lijkt zij mij conceptueel minder juist, omdat - althans in mijn visie - de vraag naar het ‘eigen belang’ voorafgaat aan die naar de rechtstreekse betrokkenheid van dat belang bij het besluit en het daarop gebaseerde leerstuk van afgeleid belang. Heeft de betrokkene bij het besluit überhaupt geen eigen belang, omdat hij uitsluitend opkomt voor de belangen van een andere, dan komt men aan de vraag of dat belang rechtstreeks dan wel middellijk wordt geraakt niet meer toe. Wat zich wel kan voordoen is dat een persoon naast een afgeleid belang dat slechts via een contract met de direct-belanghebbende wordt geraakt, daarnaast een ‘eigen belang’ bij een bepaald besluit heeft. Deze situatie kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een horecavergunning voor de benedenverdieping van een pand. De erboven wonende huurders zijn bij de verlening hiervan belanghebbende en de eigenaar-verhuurder heeft via de huurovereenkomst een van hen afgeleid belang. In zoverre zou hij geen belanghebbende zijn. Daarnaast kan hij als eigenaar echter een eigen belang hebben als de toekomstige gebruiksmogelijkheden of de waarde van het pand door die vergunning worden beïnvloed. In die hoedanigheid is hij mogelijk wel belanghebbende. Op dit punt wordt in de conclusie nog uitvoerig ingegaan. 5.4 Het zijn van ‘belanghebbende’ is een noodzakelijke voorwaarde om een ontvankelijk beroep te kunnen instellen bij de bestuursrechter, maar geen voldoende voorwaarde. Daarnaast moet betrokkene procesbelang hebben bij een uitspraak in de concrete zaak, in die zin dat hij gebaat moet kunnen zijn bij de toewijzing van zijn vordering in die zaak. Dat is bijvoorbeeld niet het geval als de partij een louter principieel belang heeft bij een uitspraak of als het geschil hangende het beroep is opgelost. Het ontbreken van procesbelang leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Het leerstuk van procesbelang is van betekenis voor deze conclusie, omdat het door de bestuursrechters wordt toegepast om de gevolgen van het ruime begrip belanghebbende van artikel 1:2, eerste lid, Awb voor wat betreft de toegang tot de rechter te ‘corrigeren’. Ter verduidelijking het volgende. Zoals in punt 5.1 aangegeven, is het om te worden aangemerkt als belanghebbende voldoende dat de belangen van een persoon of entiteit bij een besluit zijn ‘betrokken’, en kan een derde daarom belanghebbende zijn bij de weigering van een vergunning aan een andere persoon, waarmee hij het op zich eens is. Dat is nodig, omdat hij dan in een beroep ingesteld door die andere persoon tegen de weigering zijn belangen als partij in de zin van artikel 8:26 Awb kan verdedigen en omdat hij, als de rechter de weigering vernietigt, als belanghebbende kan optreden in eventuele vervolgprocedures, bezwaar of hoger beroep. Tegelijkertijd is het duidelijk dat de derde zelf geen enkel zelfstandig belang heeft om tegen die weigering beroep in te stellen of een ontvankelijk beroep te kunnen instellen. Hij is het met de weigering immers eens en kan met die procedure geen gunstiger resultaat bewerkstelligen. Om te voorkomen dat deze persoon toch beroep kan (of moet) instellen tegen een voor hem gunstig besluit, maken de bestuursrechters gebruik van het concept ‘procesbelang’. Omdat de derde geen baat heeft bij de toewijzing van een eigen vordering, heeft hij in de zaak geen procesbelang en wordt een door hem ingesteld beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hij is, als gezegd, echter wel belanghebbende zodat hij in die procedure en in eventueel noodzakelijke vervolgprocedures als partij kan deelnemen. Hoewel het voorgaande wellicht complex klinkt, sluit het systematisch als een bus en is het eindresultaat ook alleszins aanvaardbaar. Het ontbreken van procesbelang fungeert ook als correctie op het ruime ‘categorale’ belanghebbendebegrip dat de CRvB toepast teneinde een werkgever toegang tot de rechter te kunnen verlenen in zaken over de verlening van een uitkering op grond van onder meer de WAO of Wet WIA aan een werknemer. Deze problematiek wordt nog uitvoerig besproken in punt 6.2. 5.5 Als het belang van een persoon of entiteit afgeleid is van dat van een andere belanghebbende, is die persoon of entiteit in beginsel geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb, en wordt zijn beroep op de bestuursrechter tegen het besluit in kwestie niet-ontvankelijk verklaard. Dat wil echter niet zonder meer zeggen dat hij dat besluit indirect niet in rechte kan laten toetsen. Onder omstandigheden kan hij de rechtmatigheid van dat besluit namelijk wel aan de orde stellen bij de burgerlijke rechter in een op artikel 6:162 BW gebaseerde vordering. Dit kan al worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad in de zaak Montenegro
(1987). In Montenegro vorderden Montenegro en diverse buitenlandse zeelieden dat de Staat een voorwaarde van het Besluit Investeringspremie Zeescheepvaart, waarin was bepaald dat zo’n premie alleen zou worden toegekend aan eigenaren van een zeeschip dat zoveel mogelijk met Nederlandse zeelieden zou worden bemand, buiten toepassing zou laten, omdat deze voorwaarde discriminerend was. Het gerechtshof had hun beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de zeelieden tegen de premiebeslissingen, waarbij die voorwaarde is toegepast, op grond van (toen nog) de Wet Arob als rechtstreekse belanghebbenden beroep zouden kunnen instellen bij de Afdeling rechtspraak van Raad van State. In cassatie vernietigt de Hoge Raad dit oordeel van het hof. “Wat betreft de nog te nemen beschikkingen staat voor Montenegro c.s. geen beroep op grond van de Wet Arob open, omdat zij niet kunnen worden aangemerkt als personen die door deze beschikkingen rechtstreeks in hun belang zijn getroffen in de zin van art. 7 van die wet.” Uit het arrest blijkt dat een vordering bij de burgerlijke rechter gericht tegen een algemeen verbindend voorschrift, niet niet-ontvankelijk mag worden verklaard met als argument dat betrokkenen de rechtmatigheid van dat voorschrift exceptief aan de orde kunnen stellen door beroep in te stellen bij de bestuursrechter tegen een daarop gebaseerde beschikkingen als vaststaat dat dat het beroep op de bestuursrechter niet-ontvankelijk is, omdat betrokkenen geen rechtstreeks, want afgeleid, belang hebben bij die beschikkingen. Op zich is dat nog niet zo opzienbarend. Tot welke consequenties van Montenegro kan leiden, blijkt uit het arrest van de Hoge Raad in de zaak Stichting The European Support Foundation-Rijnmond (SFR) uit
- Aanleiding voor de zaak was de intrekking door het RBA Rotterdam van een aan de GMD verleende subsidie, die door GMD was ‘doorgesluisd’ naar (en werd teruggevorderd van) het werkgelegenheidsproject SFR. GMD en SFR stelden beide beroep in bij het CBb, omdat de intrekking en terugvordering in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel. Het door SFR ingesteld beroep werd door het CBb niet-ontvankelijk verklaard, omdat het belang van de Stichting was afgeleid van dat van de GMD. Het CBb verklaarde het door de GMD ingestelde beroep ongegrond. Bij de burgerlijke rechter vordert SFR vervolgens een verklaring voor recht dat RBA door het intrekken van de subsidie vanwege schending van het vertrouwensbeginsel onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, alsmede vergoeding van de schade. Deze verklaring werd door het gerechtshof uitgesproken. In cassatie voert de Staat in de eerste plaats aan dat SFR de geldigheid van het intrekkingsbesluit niet bij de burgerlijke rechter aan de orde kan stellen, nu dat besluit als gevolg van de uitspraak van het CBb formele rechtskracht heeft gekregen. De Hoge Raad oordeelt: “De eisen van een doeltreffende rechtsbescherming van de burger tegen de overheid laten niet toe, ook niet met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, dat de formele rechtskracht van het desbetreffende besluit evenzeer zou gelden indien de bestuursrechter weliswaar reeds over de rechtmatigheid van het besluit heeft geoordeeld, maar dit is gebeurd in een procedure waaraan de eerdergenoemde partij bij gebrek van het rechtens vereiste belang niet heeft kunnen deelnemen. Het nochtans ten nadele van die partij aannemen van formele rechtskracht van het besluit in een dergelijk geval zou […] tot het niet aanvaardbare gevolg leiden dat de genoemde partij zelf de grondslag van haar vordering noch door de bestuursrechter noch door de burgerlijke rechter zou kunnen laten beoordelen.” De Staat voert verder aan dat het hof met zijn oordeel dat intrekkingbesluit onrechtmatig is jegens SFR, heeft miskend dat ten opzichte van SFR niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW, omdat zij in de procedure bij het CBb als afgeleid belanghebbende is aangemerkt. Ook dit betoog wordt door de Hoge Raad verworpen. “Bij de beoordeling van de klachten van het onderdeel moet in aanmerking worden genomen dat het subsidiebesluit zich weliswaar richt tot GMD, die de subsidie heeft aangevraagd, maar dat als begunstigde van de subsidie SFR gold, dat de subsidie rechtstreeks is uitbetaald aan SFR, die met de uitvoering van het gesubsidieerde project was belast, dat SFR over de subsidievoorwaarden en de toepassing daarvan rechtstreeks contact heeft onderhouden met [betrokkene 1], de terzake bevoegde functionaris van het betrokken overheidsorgaan (RBA), en dat SFR, naar het hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld, op grond van de mededelingen dienaangaande die [betrokkene 1] haar heeft gedaan en dus door toedoen van RBA, erop heeft mogen vertrouwen dat het niet voldoen aan bepaalde subsidievoorwaarden geen gevolgen voor de subsidieverlening zou hebben. Onder deze omstandigheden is het enkele feit dat de bestuursrechter, zoals blijkt uit de hiervoor in 3.1 (ix) geciteerde uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, het belang van SFR niet als een rechtstreeks belang bij het subsidiebesluit en het daarop betrekking hebbende intrekkingsbesluit heeft beschouwd, omdat GMD niet, zoals de Regeling ESF 1991 mogelijk maakte, SFR als geadresseerde van de subsidie had aangemerkt, onvoldoende om aan te nemen dat het intrekkingsbesluit niet onrechtmatig is jegens SFR.” Uit de zaak SFR blijkt eerst en vooral dat de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming kan verlenen aan een persoon of entiteit wiens beroep tegen een besluit op grond van afgeleid belang door de bestuursrechter niet als belanghebbende is aangemerkt, zelfs als het besluit door de direct-belanghebbende tevergeefs is bestreden bij de bestuursrechter. Het besluit krijgt geen formele rechtskracht. Tegelijkertijd signaleert de Hoge Raad een nadeel van deze aanvullende rechtsbescherming, namelijk dat de bestuurs- en burgerlijke rechter over hetzelfde besluit tot tegenstrijdige uitspraken kunnen komen. Op dit punt - dat ook wordt aangestipt in het verzoek om conclusie van de president - kom ik hierna nog terug. Bij de burgerlijke rechter kan niet de vernietiging van dat besluit worden gevorderd, wel een verklaring voor recht dat het besluit onrechtmatig is en schadevergoeding. Daarom geldt, behalve de altijd geldende eis van voldoende belang, ook dat het besluit jegens de persoon of entiteit onrechtmatig moet zijn en dus moet zijn voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW. Uit de zaak SFR blijkt dat de burgerlijke rechter zelfstandig beoordeelt of aan dit vereiste is voldaan en dat het enkele feit dat de bestuursrechter van oordeel is dat het belang van betrokkene niet rechtstreeks bij het besluit betrokken is, niet betekent dat het besluit niet onrechtmatig jegens betrokkene kan zijn.
- De rechtspraak 6.
- Inleiding 6.1 In deze paragraaf wordt de voor de problematiek van afgeleid belang relevante rechtspraak van de drie hoogste bestuursrechters in kaart gebracht. Achtereenvolgens komen aan de orde de CRvB, de ABRvS en het CBb. Daarbij gaat de aandacht uit naar rechtspraak waarin de toepassing van het leerstuk van afgeleid belang ertoe leidt dat een persoon of entiteit niet wordt aangemerkt als belanghebbenden, maar ook naar rechtspraak waarin een afgeleid belang er juist niet aan in de weg staat om betrokkene aan te merken als belanghebbende of waarin de consequenties van het leerstuk op andere wijzen wordt ‘omzeild’. Op onderdelen zal ik melding maken van commentaren op de rechtspraak. Een meer geordend overzicht van de literatuur wordt gegeven in paragraaf
- 6.
- Centrale Raad van Beroep 6.2 In de rechtspraak van de CRvB speelt de problematiek van afgeleid belang een relatief bescheiden rol. Een belangrijke reden hiervoor is dat de CRvB in een categorie zaken waarin die problematiek zou kunnen spelen, in het bijzonder in arbeidsongeschiktheidszaken, de werkgever aanmerkt als ‘categoraal belanghebbende’. Op deze categorie, alsmede op de corrigerende werking van de eis van ‘procesbelang’, wordt hierna eerst ingegaan. Daarna bespreek ik een aantal situaties waarin het afgeleid belang er volgens de CRvB wel aan in de weg staan dat een derde kwalificeert als ‘belanghebbende’. De werkgever als categoraal belanghebbende 6.3 De werkgever als categoraal belanghebbende dankt zijn ontstaan aan de op 1 januari 1998 in werking getreden Wet Pemba (Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen). Die wet introduceerde de eigen risico dragende werkgever, die in de eerste vijf jaren van de arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer zelf de door het Uwv toegekende WAO-uitkering moet betalen. Vanwege deze rechtstreekse financiële gevolgen is deze werkgever belanghebbende bij het WAO-besluit. De omstandigheid dat het verhaal van de uitkering op de werkgever door middel van een afzonderlijk besluit van het Uwv geschiedt, leidt - aldus de CRvB in een uitspraak van 3 maart 2004 - niet tot het oordeel dat de werkgever bij het toekenningsbesluit alleen een afgeleid belang heeft, omdat in het kader van het verhaalsbesluit een rechtens vaststaand toekenningsbesluit als gegeven geldt en een bedrag ter hoogte van de toegekende uitkering op de werkgever wordt verhaald. Een vraag die de CRvB vervolgens moest beantwoorden was of ook de niet eigen risico dragende werkgever belanghebbende zou zijn bij de toekenning van een WAO-uitkering aan zijn werknemer. Deze werkgever hoeft de aan de werknemer toegekende WAO-uitkering niet te betalen, maar kan als gevolg ervan wel worden geconfronteerd met de vaststelling van een hogere premie. Zeker is dat niet, omdat zo’n premieverhoging bijvoorbeeld niet aan de orde is als in de relevante periode tegenover de toekenning van een WAO-uitkering aan de ene werknemer de intrekking ervan voor een andere werknemer staat. Het WAO-besluit is hoe dan ook een elementair onderdeel van de besluitvorming leidend tot de premievaststelling ingevolge de WAO. In een uitspraak van 12 februari 2001 oordeelt de CRvB daarom dat ook de niet risicodragende werkgever belanghebbende is bij het WAO-besluit met betrekking tot zijn werknemer: “De Raad onderschrijft dit betoog van appellant, uit welk betoog voortvloeit dat niet eigen risico dragende werkgevers moeten worden geacht een voldoende actueel en een concreet belang te hebben bij een besluit als dat wat in casu ter toetsing voorligt. De Raad voegt hier nog aan toe dat dit niet anders is in een situatie als de onderhavige waarin de werkgever geen bezwaren naar voren heeft gebracht die verband houden met de (toekomstige) verschuldigdheid van premies ingevolge de WAO.” Uit deze overweging blijkt de categorale benadering van de CRvB al enigszins. De werkgever wordt als belanghebbende aangemerkt bij de WAO-uitkering, ook al staat niet vast dat deze uitkering zal leiden tot een premieverhoging en ook al heeft de werkgever geen bezwaren die verband houden met de (toekomstige) verschuldigdheid van premies naar voren gebracht. Die categorale benadering komt duidelijk naar voren in daarop volgende rechtspraak van de CRvB, waarin klip en klaar duidelijk wordt gemaakt dat de hoedanigheid van belanghebbende niet afhankelijk is van de aard van het besluit. Ook in het geval de WAO-uitkering wordt herzien (ten gunste van de werkgever), wordt ingetrokken of wordt geweigerd, is de werkgever belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb. Dat geldt zelfs als de uitkering was toegekend vóór 1 januari 1993 en daarom niet werd meegenomen in de premieberekening, en voor een werkgever die ‘vrijstelling’ van de Wet Pemba had gekregen. Deze categorale benadering is - aldus de CRvB - ingegeven door het “belang van een heldere, eenvoudig toe te passen invulling van het begrip belanghebbende” in de desbetreffende zaken. Dat de werkgever (categoraal) belanghebbende is bij de toekenning van een WAO-uitkering aan zijn werknemer betekent echter niet dat zijn beroep zonder meer ontvankelijk is. Zoals in punt 5.4 al aangegeven, moet hij daartoe ook procesbelang hebben. Om ook die horde te kunnen nemen is - aldus de CRvB in een uitspraak van 21 juli 2001 - bepalend of: (…) “de werkgever met het ingesteld bezwaar of beroep eventueel het door hem gewenste resultaat kan bereiken en aan dat resultaat voor hem feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.” Aan dit criterium is niet voldaan als de werkgever in rechte opkomt tegen een besluit, waarbij de WAO-uitkering is geweigerd of ingetrokken. In dat geval kan hij met het beroep immers geen gunstiger resultaat bereiken. Dat is natuurlijk ook het geval als vaststaat dat de werkgever geen premiebelang heeft omdat hij behoort tot de categorie van kleine werkgevers voor wie de regeling betreffende gedifferentieerde WAO-premie was afgeschaft. Ook in dat geval ontbreekt procesbelang. Hij is echter wel (categoraal) belanghebbende en kan, voor zover van belang, in de procedure wel optreden als belanghebbende partij in de zin van artikel 8:26 Awb. In de literatuur is de rechtspraak van de CRvB bekritiseerd, omdat de Raad het begrip belanghebbende (categoraal) te sterk zou oprekken. Qua benadering past zij echter wel in de, in punt 5.1 en 5.4 geschetste lijn volgens welke het ruime belanghebbendebegrip van artikel 1:2, eerste lid, Awb, waarbij de enkele ‘betrokkenheid’ van het belang bij het besluit voldoende is om te worden aangemerkt als belanghebbende en eveneens wordt gecorrigeerd door het vereiste van procesbelang. 6.4 De werkgever als categoraal belanghebbende is niet beperkt tot de WAO en de Wet WIA. Deze categorie ziet men ook bij een uitkering op grond van de Ziektewet. In een uitspraak van 24 september 2002 overweegt de CRvB in dit verband als volgt. “Uit deze schets van het wettelijke stelsel van inkomensbescherming voor de zieke werknemer blijkt, dat de regels in het BW en de Ziektewet een samenhangend stelsel vormen dat overeenkomstig het beschermingsdoel dwingendrechtelijk is vastgelegd. In dit stelsel is niet de contractsvrijheid van werknemer en werkgever de bron van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever, maar de wet zelf. De besluiten tot toekenning of weigering van ziekengeld werken overeenkomstig dit wettelijk stelsel rechtstreeks door in de loonbetalingsverplichting van de werkgever. Diens belangen zijn daarom rechtstreeks bij de Ziektewetbesluiten aangaande werknemers betrokken.” Deze benadering wordt ook gevolgd bij een eigen risico dragende overheidswerkgever in het kader van de WW, omdat uit de WW rechtstreeks voortvloeit dat de kosten van de aan belanghebbende toegekende WW-uitkering op de overheidswerkgever worden verhaald. Ten slotte ziet men deze lijn in een uitspraak van de CRvB uit 2008, waarin de gemeente als voormalige overheidswerkgeefster als belanghebbende wordt aangemerkt bij besluiten betreffende de WAO-uitkeringen van haar voormalige werknemers. Dit oordeel hield verband met de omstandigheid dat de gemeente op grond van de rechtspositieregeling deze werknemers wachtgeld was verschuldigd, waarbij ten aanzien van het wachtgeld een koppeling werd gelegd met de datum met ingang waarvan een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt vastgesteld op een lager percentage dan 80%. De CRvB oordeelt: “In verband met deze - dwingende - koppeling valt niet in te zien dat in deze situatie geen sprake is van een rechtstreeks belang van de gemeente bij de onderhavige besluitvorming van het Uwv ten aanzien van haar voormalige werknemers [naam partij 2] en [naam partij 1]. Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat de situatie van de gemeente aldus niet vergelijkbaar is met het geval van degene die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de arbeidsongeschiktheid dan wel de situatie van de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraar, omdat de verplichtingen in die gevallen niet rechtstreeks wordt beïnvloed door de besluitvorming van het Uwv over de WAO-uitkering”. Uit deze overweging blijkt dat het voor het aanmerken van de gemeente als belanghebbende bij de WAO-uitkering wel van belang is dat de wachtgeldverplichting, waarbij een koppeling is gelegd met de hoogte van die uitkering, voortvloeit uit een publiekrechtelijke regeling. Vloeit deze verplichting voort uit het burgerlijk recht of uit een particuliere verzekering, dan wordt zij, volgens de CRvB, niet rechtstreeks beïnvloed door de besluitvorming van het Uwv over de WAO-uitkering - maar via de contractuele relatie met de werknemer - en is de werkgever of verzekeraar geen belanghebbende bij de uitkering. Daarmee zijn we aangeland bij het ‘afgeleid belang’. Afgeleid belang vanwege contractuele relatie 6.5 Zoals uit de in punt 6.4 vermelde uitspraak blijkt, acht de CRvB een werkgever of verzekeraar geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb, als zij hun belang ontlenen aan een contractuele relatie met de direct-belanghebbende werknemer, omdat in dat geval sprake is van afgeleid belang. Deze lijn is vaste rechtspraak van de CRvB en wordt, zoals hierna zal blijken niet alleen toegepast op (ex-)werkgever en verzekeraars, maar ook op andere derden. Daarbij valt het op dat de CRvB geen onderscheid maakt tussen derden met een belang dat parallel loop met dat van de direct-belanghebbende, en derden met niet-parallelle of tegenstrijdige belangen. Afgeleid belang bij een contractuele relatie wordt ook aangenomen in de laatstgenoemde situatie. Dit blijkt al uit in punt 6.4 vermelde uitspraak, waarin de werkgever of verzekeraar die hun belang ontleende aan de contractuele relatie niet als belanghebbende bij het WAO-besluit ten aanzien van de werknemer/verzekerde werden aangemerkt, ook al hadden zij belang bij een lagere WAO-uitkering en de werknemer/verzekerde niet. Deze lijn ziet men ook in een zaak over een op grond van de Wet WIA toegekende loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijke arbeidsgeschikten (WGA-uitkering), die voor de vennootschap op grond van een overeenkomst met de werknemer gevolgen had voor de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. De CRvB acht de belangen van de vennootschap vanwege de contractuele relatie niet rechtstreeks bij de WGA-uitkering betrokken. “Niettemin uitgaande van het bestaan van een overeenkomst, niet zijnde een arbeidsovereenkomst, is de Raad van oordeel dat het besluit omtrent de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wel van invloed is op de loondoorbetalingsverplichting van de vennootschap, maar dat hier geen sprake is van een rechtstreeks maar van een afgeleid belang. Anders dan in de door appellant genoemde (…) uitspraken van de Raad van 24 september 2002 op grond van de ZW [vermeld in punt 6.4, RW] is in dit geval immers de bron van de verplichting van de vennootschap was niet gelegen in het samenstel van bepalingen op grond van de ZW en de regeling van de arbeidsovereenkomst in het BW dan wel in enige andere wettelijke regeling die doorwerkt in de verplichtingen van de vennootschap ten opzichte van betrokkene, maar uitsluitend in een overeenkomst tussen de vennootschap en betrokkene.” Ook de vraag of een werkgever belanghebbende is bij een aanvraag van zijn werknemer om een uitkering wegens onwerkbaar weer op grond van artikel 18 WW is door de CRvB wegens afgeleid belang ontkennend beantwoord. De CRvB overwoog daartoe als volgt: “Noch de omstandigheid dat geen machtigingen om bezwaar te maken konden worden overgelegd noch het feit dat de betrokken werknemers het Uwv hebben gemachtigd de uitkering aan appellant [de werkgever - RW] te betalen, maken dat de werkgever een rechtstreeks belang heeft bij het besluit. […] Het belang van appellant, die de werknemers het loon -naar de Raad aanneemt bij wijze van voorschot - over de niet-gewerkte dagen heeft doorbetaald, bij betaling van de uitkering, berust op de tussen hem en de werknemers gemaakte afspraken en moet als een afgeleid belang worden beschouwd.” De situatie dat een derde niet als belanghebbende wordt aangemerkt, omdat haar belang niet rechtstreeks, maar via een contractuele relatie met de direct belanghebbende, bij het besluit betrokken is, speelt niet alleen bij werkgevers, maar ook bij andere entiteiten. Een voorbeeld biedt een zaak waarin de B.V. X, waarbij een jobcoach werkzaam was, in (hoger) beroep kwam tegen de weigering door het Uwv om de door een jobcoach ten behoeve van de re-integratie van [B] gedeclareerde uren te vergoeden. De CRvB oordeelt: “Tussen partijen staat onbetwist vast dat de gemeente [Y.], de werkgeefster van [B.], namens haar met appellante op 27 juli 1998 een schriftelijke overeenkomst heeft gesloten, waarbij appellante wordt gemachtigd tot het namens [B.] indienen van een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 31 Wet REA en waarbij wordt overeengekomen dat appellante ingeval van toekenning van de voorziening de persoonlijke ondersteuning zal bieden. Voorts wordt appellante daarbij gemachtigd de vergoeding voor deze persoonlijke ondersteuning rechtstreeks van gedaagde te incasseren. Uit deze feiten leidt de Raad af, dat er met betrekking tot de in geding zijnde voorziening geen zelfstandige publiekrechtelijke rechtsbetrekking bestaat tussen appellante en gedaagde. De belangen van appellante zijn ingebed in de - als gevolg van de aan [B.] toegekende jobcoachvoorziening - tussen [B.] en gedaagde bestaande rechtsbetrekking en zijn derhalve niet rechtstreeks betrokken bij het bestreden besluit, waarbij gedaagde aan [B.] heeft geweigerd de werkzaamheden die appellante in de periode van 2 december 1998 tot 1 maart 1999 in het kader van haar persoonlijke ondersteuning heeft verricht, te vergoeden. De rechtstreekse betaling door gedaagde aan appellante en de urenverantwoording door appellante aan gedaagde berusten - via de betalingsmachtiging respectievelijk de overeenkomst d.d. 27 juli 1998 - op de rechtsbetrekking tussen [B.] en gedaagde.” In zijn annotatie onder de uitspraak is Schlössels kritisch over de benadering van de CRvB. Volgens hem zou het er niet om moeten gaan of een belang “al dan niet afgeleid is (zwart-wit-benadering)”, maar of “een besluit een bepaald belang afdoende raakt”. Hij bepleit in de belanghebbendejurisprudentie “een genuanceerde benadering”, waarbij “inspiratie kan worden geput uit civielrechtelijke causaliteitsleren, maar zo nodig óók afwijkende publiekrechtelijke maatstaven moeten worden gehanteerd.” Dezelfde benadering - een entiteit is geen belanghebbende als sprake is van afgeleid belang omdat haar belang alleen via een contractuele relatie wordt geraakt - past de CRvB ook toe in subsidiezaken. Daarom is alleen de geadresseerde van een subsidie belanghebbende en niet de begunstigde waarnaar die de subsidie zal worden doorgesluisd. Dit ziet men onder meer in een uitspraak van de CRvB van 31 oktober
- In de zaak had een WSW-rechtspersoon beroep ingesteld tegen beslissingen van de minister van SZW, betreffende de toekenning van subsidie aan de gemeente Utrecht ten behoeve van de rechtspersoon. De betreffende rechtspersoon was door de raad van Utrecht met toepassing van artikel 2, derde lid, WAW aangewezen als rechtspersoon ten behoeve van de uitvoering van de wet. Voorts hadden de rechtspersoon en de gemeente overeenkomsten gesloten die erop neerkwamen dat de gemeente het door het Rijk vastgestelde budget in zijn geheel ter beschikking van appellant stelde. De CRvB oordeelt: “De Raad is verder van oordeel dat appellante door het sluiten van overeenkomsten […] niet - buiten het stelsel van de WSW om - kan bewerkstelligen dat haar belang rechtstreeks bij een besluit omtrent de verlening van de subsidie is betrokken. Die overeenkomsten binden alleen partijen en kunnen niet toe- of afdoen aan de in de WSW aan de gemeente of het gemeentebestuur toegekende rechten of opgelegde verplichtingen. Veeleer is het belang van appellante door middel van de overeenkomsten, afgeleid van het uit de WSW voortvloeiende belang van (het bestuur van) de gemeente. Zulk een afgeleid belang is geen rechtstreeks belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.” In zijn annotatie onder de uitspraak is Bröring tamelijk kritisch. Hij stelt vast dat de tussen de Gemeente Utrecht en de WSW-rechtspersoon gesloten overeenkomsten erop neerkomt dat de gemeente het door het Rijk vastgestelde budget in zijn geheel ter beschikking stelt van appellante en dat er in de verhouding tussen gemeente en WSW-rechtspersoon geen speelruimte meer resteert. Daardoor is de facto sprake van een direct causaal verband tussen de subsidiebesluiten en het belang van de WSW-rechtspersoon. Door in plaats van op deze causale relatie de nadruk te leggen op de rechtspositie ten opzichte van andere rechtssubjecten, wordt volgens hem afbreuk gedaan aan de rechtsbeschermingsmogelijkheden van de WSW-rechtspersoon. Volgens hem zou het gegeven dat de gemeente slechts als doorgeefluik fungeert meer gewicht in de schaal mogen leggen. Afgeleid belang vanwege een contractuele rechtsbetrekking staat tenslotte in de weg aan het aanmerken als belanghebbende van een apotheker, die de door de behandelend specialist voorgeschreven medicatie had verstrekt aan een patiënte, toen hij opkwam tegen de weigering van de Onderlinge Waarborgmaatschappij OZ zorgverzekeringen om het medicijn te vergoeden. De CRvB overwoog: “De Raad beantwoordt de vraag of appellante 2 als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt ontkennend. Hij heeft daartoe overwogen dat de door appellante 2 gestelde belangen zijn ingebed in de tussen appellante 2 en appellante 1 bestaande rechtsbetrekking en dat deze belangen derhalve niet rechtstreeks betrokken zijn bij het bestreden besluit. Het gegeven dat tussen appellante 2 en gedaagde een in de Ziekenfondswet geregelde medewerkersovereenkomst is gesloten maakt dit niet anders. Ook daarvoor geldt dat het belang van appellante 2 niet rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit.” Uit de hiervoor genoemde uitspraken blijkt klip en klaar dat de CRvB afgeleid belang, en dus geen belanghebbendheid in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb, aanneemt als een betrokkene zijn belang ontleent aan een contractuele relatie met de direct-belanghebbende. Op dit punt is de CRvB helder, maar streng. Afgeleid belang vanwege familierelatie 6.6 Afgeleid belang wordt door de CRvB ook gehanteerd om familieleden die opkomen voor het belang van een uitkeringsrechtigde verwante niet-ontvankelijk te verklaren. In de situatie dat een echtgenote opkwam voor het belang van haar echtgenoot overwoog de CRvB als volgt: “Bij besluit van 31 augustus 1999 heeft gedaagde [Uwv - RW] de bezwaren tegen drie ten aanzien van haar echtgenoot op grond van de AAW en de WAO genomen besluiten d.d. [datum - RW] niet ontvankelijk verklaard. […] De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het besluit van 31 augustus 1999rechtens juist is. Anders dan namens appellante is bepleit kan zij niet in haar bezwaren worden ontvangen nu zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de ten aanzien van haar echtgenoot genomen besluiten kan worden beschouwd. Appellante heeft immers geen rechtstreeks belang bij de ten aanzien van haar echtgenoot genomen besluiten ingevolgde de AAW en WAO, nu een uit de huwelijksrelatie voortvloeiend belang van appellante slechts een afgeleid belang vormt”. Dezelfde benadering ziet men bijvoorbeeld bij een zoon die opkomt tegen de (te lage) aan zijn moeder toegekende bijstandsuitkering en in veel andere zaken. Bevindingen 6.7 De overigens beperkte rechtspraak van de CRvB inzake afgeleid belang is strikt. Een derde belanghebbende werkgever, apotheker of subsidiebegunstigde wordt wegens afgeleid belang niet als belanghebbende aangemerkt als hij zijn belang via een contractuele relatie ontleent aan dat van de direct-belanghebbende. Deze lijn wordt ook toegepast als de belangen van de derde tegengesteld zijn aan die van de direct-belanghebbende. Nuanceringen op deze benadering, zoals die bestaan in de rechtspraak van de ABRvS en het CBb, zijn in de rechtspraak van de CRvB niet aangetroffen. Verder kan afgeleid belang in de weg staan aan de ontvankelijkheid van familieleden die opkomen voor het belang van een uitkeringsgerechtigde verwante. De consequenties van de strikte afgeleid belang-benadering worden door de CRvB in belangrijke mate genuanceerd, omdat hij de werkgever in WAO- en Wet WIA-zaken als categoraal belanghebbende aanmerkt bij het beroep over de uitkering aan zijn werknemer. Dit ziet men ook bij andere uitkeringen als de hoogte ervan op grond van een publiekrechtelijke regeling bepalend is voor de financiële verplichtingen van de werkgever ten opzichte van de uitkeringsrechtigde. Voor zover de belanghebbende werkgever met zijn beroep geen gunstiger resultaat kan bereiken, omdat de uitkering bijvoorbeeld is ingetrokken of geweigerd, is zijn beroep niet-ontvankelijk, omdat het procesbelang ontbreekt. 6.
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Inleiding 6.8 De rechtspraak van de Afdeling over het leerstuk van afgeleid belang is niet alleen overvloedig, maar is het laatste decennium ook nogal in beweging geweest. Daarbij is de strikte hantering van het leerstuk uit het verleden op diverse manieren versoepeld. Hierna geef ik alleen die rechtspraak weer die volgens mij nog geldend recht, ook al weet ik dat soms niet 100% zeker. Daarbij houd ik de volgende indeling aan. Eerst vermeld ik rechtspraak waarin de derde vanwege een van de geadresseerde - via een contractuele relatie - afgeleid en parallel belang geen belanghebbende is. Vervolgens besteed ik aandacht aan zaken waarin zo’n derde, ondanks een afgeleid belang, toch wordt aangemerkt als belanghebbende, omdat dat belang tegengesteld is aan (of niet soortgelijk is als) het belang van de geadresseerde. Daarna komt rechtspraak aan de orde, waarin de derde ondanks het feit dat hij mogelijk een afgeleid parallel belang heeft, toch als belanghebbende wordt aangemerkt, omdat hij daarnaast al dan niet in een andere hoedanigheid een ‘eigen’ zelfstandig belang heeft. Binnen deze categorie kunnen drie varianten worden onderscheiden, namelijk de variant dat de derde in een andere hoedanigheid een eigen belang heeft, de variant dat dit eigen belang de aantasting van een zakelijk recht betreft, en de variant dat hij zo’n eigen belang heeft vanwege de aantasting van een fundamenteel recht. Ten slotte komt de zogenoemde verwevenheidscorrectie aan de orde, die de Afdeling soms hanteert om een entiteit/persoon ondanks een parallel afgeleid belang toch toegang tot de bestuursrechter te verlenen. 6.9 Voordat ik toekom aan de bespreking van de afgeleid belang-rechtspraak van de Afdeling, past de volgende opmerking. In het verleden ging de Afdeling ervan uit dat derden met een tegengesteld belang geen belanghebbende konden zijn bij een besluit waarbij het bestuursorgaan negatief had beslist op een aanvraag om een vergunning van een direct-belanghebbende. Bij dat besluit was alleen die laatste belanghebbende. Sinds medio jaren nul acht de Afdeling deze derden, als zij ook voor het overige voldoen aan de in punt 5.2 vermelde OPERA-criteria, wel belanghebbende. Dit blijkt uit een uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2006, waarin zij expliciet omgaat. “De Afdeling heeft eerder geoordeeld, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2005 in zaak no. 200410416/1, dat bij een besluit om een vrijstelling of bouwvergunning te weigeren slechts het belang van de aanvrager rechtstreeks is betrokken. Met het oog op de positie in de procedure van derden die een aan de aanvrager tegengesteld belang hebben, ziet de Afdeling echter - met verwijzing naar haar uitspraak van 22 december 2004 in zaak no. 200403113/1 (AB 2005, 97) - aanleiding anders te oordelen. De Afdeling is van oordeel dat ook derden die kenbaar hebben gemaakt dat zij zich verzetten tegen een besluit tot verlening van een bouwvergunning, in bezwaar- en beroepsprocedures die betrekking hebben op een besluit dat strekt tot weigering van een vrijstelling of bouwvergunning, als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt indien aan de vereisten van deze bepaling wordt voldaan. Dit neemt niet weg dat die derden in de regel geen rechtens te beschermen belang hebben bij herroeping van een dergelijk weigeringsbesluit en dus daartegen niet zelf kunnen opkomen. [verzoeker rechtbank] en anderen zijn, als eigenaren van vakantievilla's in het villapark waar het bouwplan betrekking op heeft, als belanghebbenden te beschouwen in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.” Zoals in punt 5.1 aangegeven is deze rechtspraak mijns inziens correct, omdat het tegengestelde belang van betrokkene wel degelijk bij het voor aanvrager negatieve besluit ‘betrokken’ is en zij aldus in de beroepszaak als partij in de zin van artikel 8:26, eerste lid, Awb, kunnen optreden. Zij kunnen tegen het besluit echter in de regel niet zelf beroep instellen, omdat zij daarbij - zoals de Afdeling het stelt in de hiervoor geciteerde overweging - geen ‘rechtens beschermd belang’, casu quo geen procesbelang hebben (zie punt 5.4). Zij kunnen door het beroep immers geen gunstiger resultaat bereiken. Hoe dan ook, dit soort zaken speelt in het kader van afgeleid belang geen rol meer. Afgeleid belang vanwege contractuele relatie bij parallelle of soortgelijke belangen 6.10 In een groot aantal uitspraken van de Afdeling is een derde geen belanghebbende bij een besluit als hij zijn belang via een contractuele relatie ontleent aan dat van de geadresseerde direct-belanghebbende en zijn belang parallel loopt met dat van die direct-belanghebbende. Hierna vermeld ik diverse zaken, waarbij ik uiteraard niet uitputtend ben. Een bekend voorbeeld biedt de zaak Haegens Bouw. In die zaak had Haegens Bouw (een aannemer) beroep ingesteld tegen de intrekking door de minister van de subsidie die was verleend aan de kopers van de door het bedrijf gebouwde woningen. Het belang van het bedrijf was erin gelegen dat in de koop/aannemingsovereenkomst tussen het bedrijf en de kopers was bepaald dat hij zich garant stelde voor de subsidie. Volgens de Afdeling gaat het daarbij echter om een van het belang van die kopers afgeleid belang. Zij oordeelt: “Ingevolge artikel 3 Beschikking geldelijke steun 1984 […] kan ten behoeve van het verkrijgen in eigendom van een door de begunstigde te bewonen woning, een jaarlijkse bijdrage, als bedoeld in het Besluit geldelijke steun volkshuisvesting, worden verstrekt. In artikel 4 van de beschikking is bepaald dat de bijdrage wordt verstrekt aan de eigenaar. Gebleken is dat appellante ten tijde van de indiening van de aanvraag om een jaarlijkse bijdrage noch ten tijde van de toekenning daarvan eigenares was van de desbetreffende woningen en ook nadien niet de eigendom van deze woningen heeft verworven. De besluiten van 27 augustus 1993 strekten niet tot intrekking van een aan haar toegekende bijdrage. In de onderscheiden koop/aannemingsovereenkomsten die appellante met de betrokkenen heeft gesloten is weliswaar in artikel 6 derde lid bepaald dat ‘De ondernemer garandeert dat de verkrijger op basis van de door hem verstrekte gegevens in aanmerking komt voor de subsidie, volgens een door partijen aan deze akte gehechte en gewaarmerkte berekening’, doch de uit een zodanige bepaling voortvloeiende gebondenheid is, zoals de Afdeling rechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen, niet een rechtstreeks belang gelegen, als bedoeld in artikel 7 eerste lid Wet Arob.” Verheij heeft kritiek op de uitspraak, omdat naar zijn opvatting als gevolg van de afgesproken overgang van het risico bij de intrekking van de subsidie naar de aannemer, “ook het belang en de actie ter bescherming daarvan overgaan”. Nu de Afdeling daar niet aan wil, ziet hij overigens wel een andere oplossing, namelijk dat de eigenaar zich contractueel verbindt “om de aannemer zo nodig te machtigen tot het namens de eigenaar instellen van bezwaar of beroep”. Ook in de uitspraak van de Afdeling in Boerderij ’t Lindeke loopt appellant, die zijn belang via een contract ontleent aan dat van de geadresseerde, aan tegen afgeleid belang. In die zaak had de voormalige eigenaar van de boerderij beroep ingesteld tegen de weigering door burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom om op aanvraag van de huidige eigenaar een sloopvergunning te verlenen. Het belang van de voormalige eigenaar was gelegen in de omstandigheid dat bij de verkoop was overeengekomen dat, als drie jaar na de levering een sloopvergunning zou worden verleend, de koper of diens rechtsopvolger aan de voormalige eigenaar/appellant 200.000 gulden zou moeten voldoen als aanvulling op de koopsom. Over de ontvankelijkheid van de voormalige eigenaar oordeelt de Afdeling kort en goed als volgt: “De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellant ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift geen belanghebbende was, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De weigering de gevraagde vergunning te verlenen had voor hem immers slechts gevolg in verband met zijn privaatrechtelijke rechtsverhouding met de kopers van het perceel, zodat zijn belang daarbij niet rechtstreeks was betrokken.” Deze uitspraak is door Schlössels bekritiseerd, omdat de voormalige eigenaar een evident vermogensrechtelijke belang had bij de vergunningverlening. Die verlening zou hem immers 200.000 gulden hebben opgeleverd. Daarom zou deze persoon een voldoende rechtstreeks belang bij die verlening hebben. Ondanks deze kritiek is de benadering in Haegens Bouw en Boerderij ’t Lindeke ook nu nog geldend recht. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2017 in de zaak Taxateur Soest. In de zaak was de taxateur in beroep gekomen tegen de door het college van B en W Soest aan de bewoner van een pand opgelegde last onder dwangsom, waarbij de laatste was bevolen alle voorzieningen te verwijderen die het pand geschikt maakte voor bewoning. Het belang van de taxateur was erin gelegen dat hij door geadresseerde van de last aansprakelijk was gesteld voor de schade die deze had geleden, doordat de taxateur de waarde van het pand destijds te hoog had getaxeerd op basis van informatie van de gemeente dat het pand een woonbestemming zou hebben. In de beroepsprocedure wilde de taxateur een oordeel uitlokken over de (on)juistheid van deze informatie, waarop de gemeente gelet op de last onder dwangsom uitdrukkelijk is teruggekomen. Daarom zou hij een (eigen) rechtstreeks belang hebben dat niet van de geadresseerde was afgeleid. De Afdeling oordeelt als volgt: “Het door [appellant] gestelde financiële belang is niet rechtstreeks bij het primaire besluit betrokken. Dat belang wordt op zichzelf immers niet aangetast door de bij dat besluit opgelegde last. Dat belang is slechts terug te voeren op de civielrechtelijke verhouding met [partij] en staat in een te ver verwijderd verband met dat besluit. […]. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het belang van [appellant] rechtstreeks is betrokken bij het primaire besluit. [appellant] heeft slechts een afgeleid belang bij dat besluit.” In haar annotatie in de Gemeentestem onder de uitspraak, waarnaar het conclusieverzoek van de president verwijst, stelt Rog dat “ingeval de handelwijze van de derde aanleiding vormt voor het nadelige bestreden besluit, ingevolge een causale redelijkheidstoets een uitzondering zou moeten worden gemaakt op de regel dat een derde geen zelfstandig eigen belang heeft”. Evenals in Boerderij ’t Lindeke is er volgens haar een “condicio sine qua non verband” tussen het besluit en de financiële belangen van de derde. In Boerderij ’t Lindeke betreft dat belang de betalingsverplichting aan de voormalig eigenaar, in Taxateur Soest de aansprakelijkheidsstelling. Bovendien vormt “de handelwijze” van de voormalig eigenaar, casu quo de taxateur “aanleiding voor het bestreden besluit”. Onder die omstandigheden, “waarbij sprake is van een duidelijk, eigen belang”, moet de derde gelegenheid krijgen om vragen aan de orde te stellen als: Is bij de beslissing uitgegaan van de juiste feiten en zijn de voorschriften op de juiste wijze uitgelegd? “Zo had de taxateur in rechte de vraag kunnen stellen: ‘waarom komt het college uitdrukkelijk terug van de eerder door hem afgegeven informatie op basis waarvan ik een taxatierapport heb opgesteld?” 6.11 Ook potentiële kopers van gronden waarop een voorkeursrecht van een gemeente is gevestigd hebben alleen een van de verkopende eigenaar afgeleid belang en zijn dus geen belanghebbende. Dat blijkt uit een uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2000, maar is nog steeds geldend recht. “Appellante heeft vóór de inwerkingtreding met ingang van 17 juli 1998 van de gewijzigde Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg), overeenkomsten gesloten met onder anderen U, W en de erven Y tot koop van bij hen in eigendom zijnde percelen. Het na bezwaar gehandhaafde besluit heeft, gelet op artikel 10, eerste lid, samen met artikel 1, aanhef en onder a en b, van de Wvg voor de eigenaren/rechthebbenden van de daarbij aangewezen percelen tot gevolg dat zij worden beperkt in de mogelijkheid van vervreemding van hun percelen. Het belang van appellante, die als potentiële koper haar aankoopmogelijkheden geringer ziet worden, is een hiervan afgeleid belang. Nu voorts, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, in dit geval geen sprake is van overeenkomsten die zijn geregistreerd op een in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d of e, van de Wvg, voorgeschreven wijze, dient te worden geoordeeld dat in dit geval het belang van appellante niet rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken, zodat zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.” Hetzelfde lot - geen belanghebbende want uitsluitend een, via een contractuele relatie, afgeleid belang - trof de leverancier van LPG-autogas in zijn beroep tegen de intrekking van de vergunning van een LPG-tankstation waaraan hij gas leverde (Drievorm Autogas), de projectontwikkelaar, die van plan was op het terrein van een ander woningbouw te ontwikkelen, en in beroep kwam tegen een aan een derde verleende milieuvergunning die voor zijn plannen ongunstig was (projectontwikkelaar), de huurder, die in een pand kamers onderverhuurde, en opkwam tegen de intrekking van een aan de eigenaar verleende gebruiksvergunning (Eurostart), de eigenaar van een pand die opkwam tegen de aan de huurder opgelegde last onder dwangsom (Jumbo), en de gebruiker van een spoorwegemplacement die beroep instelde tegen de aan de exploitant verleende milieurevisievergunning, die zodanig strenge eisen bevatte dat de gebruiker ernstig werd belemmerd in het gebruik (Arriva). In vergelijkbare bewoordingen oordeelde de Afdeling als volgt: Drievorm Autogas “Appellante ‘Drievorm Autogas B.V.’ is de leverancier van autogas voor de inrichting. De Afdeling concludeert dat, hoewel het belang van ‘Drievorm Autogas B.V.’ door het bestreden besluit kan worden geraakt, het besluit slechts gevolgen met zich brengt via de contractuele verhouding tussen ‘Drievorm Autogas B.V.’ en de inrichtinghoudster. Aldus heeft ‘Drievorm Autogas B.V.’ een afgeleid belang en is haar belang niet rechtstreeks bij dit besluit betrokken. Naar het oordeel van de Afdeling kan ‘Drievorm Autogas B.V.’ ten aanzien van het bestreden besluit dan ook niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.” Projectontwikkelaar “[de projectontwikkelaar, appellante b] is van plan om op de schuin tegenover de inrichting gelegen percelen, waarvan [appellante a] eigenaar is, woningbouw te ontwikkelen. Hoewel het belang van [appellante b] door het bestreden besluit kan worden geraakt, brengt dit besluit slechts gevolgen met zich via een contractuele verhouding tussen [appellante b] en [appellante a]. Aldus heeft [appellante b] een afgeleid belang en is haar belang niet rechtstreeks bij dit besluit betrokken, zodat [appellante b] ten aanzien van het bestreden besluit niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.” Eurostart “Bij besluit van 5 november 2001 is aan Bewi Vastgoed als eigenaar van het pand een gebruiksvergunning verleend om het pand in gebruik te hebben als hotel. Bij besluit van 20 maart 2008 is deze gebruiksvergunning ingetrokken. Bewi Vastgoed heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, terwijl Euro Start, die als huurder het pand kamersgewijs in onderverhuur aanbiedt aan haar Poolse werknemers, hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Het door Euro Start gestelde belang bij het besluit van 20 maart 2008 vloeit voort uit de contractuele relatie die zij als huurder van het pand heeft met Bewi als eigenaar daarvan en is derhalve een afgeleid belang dat niet rechtstreeks bij het besluit is betrokken.” Jumbo “Het hoger beroep van [appellante] is uitsluitend gericht tegen het oordeel van rechtbank dat het college haar terecht niet heeft aangemerkt als belanghebbende bij het besluit van 31 maart 2008 voor zover daarbij is gelast het gebruik van het pand als supermarkt te staken en gestaakt te houden. De Afdeling volgt niet het betoog van [appellante] dat zij ook in zoverre als belanghebbende bij dat besluit moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de last niet is gericht aan [appellante]. Anders dan een besluit tot toepassing van bestuursdwang, betreft de last onder dwangsom alleen de vermeende overtreder. Omdat alleen de overtreder een dwangsom kan verbeuren, is in beginsel slechts hij aan te merken als belanghebbende bij de last als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Voor zover [appellante] naar zij stelt in haar belang zou zijn geraakt doordat zij schade zou hebben geleden, is dat geen belang dat rechtstreeks bij de aan Jumbo gerichte lastgeving is betrokken, aangezien dit belang slechts berust op een contractuele relatie tussen [appellante] en Jumbo.” Arriva “Arriva is gebruikster van het door ProRail geëxploiteerde in Leeuwarden gelegen spoorwegemplacement. Hoewel het belang van Arriva door het bestreden besluit kan worden geraakt, komen de gevolgen van dit besluit voor Arriva eerst via een contractuele verhouding tussen haar en ProRail tot stand. Aldus heeft Arriva een afgeleid belang en is haar belang niet rechtstreeks bij dit besluit betrokken, zodat Arriva ten aanzien van het bestreden besluit niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt.” De Waard en De Waard &Wenders hebben bij de laatste uitspraak vraagtekens gezet, omdat de in de bestreden milieuvergunning opgenomen voorschriften uitsluitend betrekking hadden op de treinstellen van Arriva, na onderzoek van de juist door die treinstellen veroorzaakt geluidoverlast. Materieel was daarom niet Prorail, maar Arriva de geadresseerde van het besluit, en was Arriva de meest gerede partij om het besluit in rechte te bestrijden. De technische discussie ter zitting van de Afdeling ging ook alleen over die treinstellen. In de zaak had ook Pro Rail beroep ingesteld tegen het besluit. Maar, zo stellen De Waard en Wenders, zou Arriva geen zelfstandige aanspraak moeten kunnen maken op rechtsbescherming? En, als de bestuursrechter die vraag ontkennend beantwoordt, zou Arriva zich dan niet hebben kunnen wenden tot de burgerlijke rechter? Op deze kwesties kom ik in paragraaf 8 terug. 6.12 In de hiervoor vermelde rechtspraak lijkt de Afdeling steeds van oordeel dat de belangen van de derde in kwestie parallel lopen met die van de geadresseerde, in die zin dat beide met een (eventueel) ingesteld beroep hetzelfde resultaat (zouden) nastreven. De frase ‘parallelle belangen’ wordt door de Afdeling echter niet uitdrukkelijk gebezigd. In sommige uitspraken doet de Afdeling dat wel, vermoedelijk omdat in die zaken de parallelliteit van de belangen van de derde en geadresseerde is geproblematiseerd. Een voorbeeld biedt de zaak Vliegkamp Valkenburg, waarin de Woonstichting KBV Katwijk, die als huurder gronden en opstallen van het vliegkamp onderverhuurde aan derden, in beroep kwam tegen aan de Staat (eigenaar) verleende beperkte vrijstelling voor het gebruik van het vliegkamp. De Afdeling oordeelde: “De omstandigheid dat de Staat niet in rechte tegen de verleende vrijstelling is opgekomen, brengt, anders dan KBV betoogt, niet mee dat zij een aan de Staat tegengesteld belang heeft bij het besluit van 25 september
- Dat KBV, zoals zij ter zitting heeft toegelicht, het ontwikkelrisico van het gebruik van de desbetreffende gronden en opstallen draagt, biedt evenmin grond voor dit oordeel. Zowel KBV als de Staat zijn gebaat bij een ruimere vrijstelling teneinde meer ontwikkelingen mogelijk te maken ten behoeve van een goede exploitatie van het vliegkamp. Het door de Staat bij brief van 25 januari 2007 ingediende verzoek om tijdelijke vrijstelling te verlenen had ook een ruimere strekking dan de verleende vrijstelling en zag mede op horecadoeleinden en detailhandel. Gelet op deze omstandigheden heeft KBV als huurster slechts een afgeleid, aan de Staat parallel belang. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht overwogen dat KBV geen belang heeft bij een oordeel omtrent de rechtmatigheid van het besluit van 25 september 2007.” Een tweede zaak waarin de frase ‘parallelle belangen’ wordt gehanteerd, biedt de recente zaak DUBO. In de zaak kwam de Vereniging van Eigenaren (VvE) van een appartementencomplex op tegen de afwijzing door het college van GS Noord-Brabant van haar verzoek om handhavend op te treden tegen DUBO, de exploitant van een warmte-koudeopslag (WKO) installatie in complex. Het verzoek was gebaseerd op de vermeende overtreding door DUBO van de aan de watervergunning verbonden voorschriften, die de oorzaak zou zijn van een te hoog warmtegebruik in het complex en een te hoge energierekening voor de bewoners. De Afdeling oordeelt als volgt: “DUBO is exploitant van de WKO-installatie. In die hoedanigheid moet zij voldoen aan de in voorschrift 8 opgenomen eis ten aanzien van de energiebalans. DUBO is tevens energieleverancier. In die hoedanigheid heeft zij contractuele verplichtingen jegens de bewoners van de appartementen in Klooster Baptist. […] De VvE komt in deze procedure op voor het gemeenschappelijk belang van de leden als energie-afnemers. Dat belang berust op de contractuele verhouding tot de energieleverancier, DUBO. Het al dan niet handhavend optreden tegen overtreding van vergunningvoorschrift 8 heeft voor hen hooguit gevolgen via die contractuele verhouding. Niet in geschil is dat een koude overschot van invloed kan zijn op het rendement van de warmtepomp van de WKO-installatie. DUBO, als exploitant van de WKO-installatie, heeft belang bij een goed werkende installatie en een hoog rendement van de warmtepomp. Zou een koude overschot leiden tot een lager rendement van de warmtepomp en daarmee tot een hoger warmteverbruik, verschillen in warmteverbruik, hogere energierekeningen of minder warmtecomfort, zoals de VvE stelt, dan betekent dit dat een goede warmte-koudebalans in het belang is van zowel DUBO als de VvE. Het belang van de VvE loopt daarmee parallel aan dat van DUBO, zodat zij geen eigen, maar een van DUBO afgeleid belang heeft bij een zo gering mogelijke afwijking van de energiebalans en dus bij naleving van voorschrift 8.” Het oordeel van de Afdeling dat het belang van de VvE - dat op zich inderdaad via de contractuele relatie met DUBO verloopt - parallel loopt aan dat van DUBO doet nogal ‘gewrongen’ aan, nu de VvE juist wenst dat het college van GS handhavend tegen DUBO optreedt. In abstracto is het wellicht juist dat zowel DUBO als de VvE belang hebben bij een goede warmte-koude balans. Dat neemt niet weg dat de VvE handhavend optreden tegen DUBO wenst, omdat DUO door overtreding van de vergunningsvoorschriften die balans onvoldoende zou bereiken, terwijl DUBO geen belang heeft bij handhavend optreden. Dat roept de vraag op wanneer de Afdeling de belangen van dergelijke partijen wel tegenstrijdig acht. Die vraag komt vanaf punt 6.13 aan de orde. Voordat ik daaraan toekom, wijs ik er ten slotte nog op dat de Afdeling in sommige uitspraken niet spreekt van parallelle belangen, maar van belangen die ‘soortgelijk’ zijn. Zij doet dit bijvoorbeeld in haar uitspraak van 21 januari 2015 in de zaak Stadsdeel Centrum. De zaak betrof een omgevingsvergunning voor de wijziging van de begane grond van een bepaald perceel. In eerste aanleg had de rechtbank [appellant sub 2D] niet als partij, als bedoeld in artikel 8:26 Awb toegelaten, omdat zij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb zou zijn. In hoger beroep is de Afdeling het met de rechtbank eens. Zij oordeelt. “De rechtbank heeft [appellant sub 2D] terecht niet als partij als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb tot het geding toegelaten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 in zaak nr.201206869/1/R2 heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant sub 2D] via een contractuele verhouding - die in dit geval voortvloeit uit de huurovereenkomst met [appellant sub 2C] - kan worden getroffen in een belang dat soortgelijk is aan dat van de eigenaar van het pand. [appellant sub 2D] heeft derhalve slechts een afgeleid belang en haar belang is niet rechtstreeks betrokken bij het besluit van 8 maart 2013.” Of de frase ‘soortgelijke belangen’ synoniem is aan parallelle belangen, dan wel dat deze frase een iets andere betekenis heeft, weet ik niet. Ik kom op deze kwestie kort terug als ik eerst de negatieve variant van beleid, ‘niet soortgelijke’ of ‘tegenstrijdige’ belangen heb besproken. Tegengestelde of niet-soortgelijke belangen en dus geen afgeleid belang 6.13 In een rechtspraak waarvan die wellicht al wordt aangekondigd in 2000, maar die sinds 2006 een meer structureel en principieel karakter heeft gekregen, neemt de Afdeling geen afgeleid belang aan, als het belang van de derde tegengesteld is, dan wel niet soortgelijk is als dat van de geadresseerde direct-belanghebbende. Die aankondiging ziet men in een uitspraak van de Afdeling van 9 maart
- De zaak betrof het beroep van advocaat X tegen de weigering van de toevoeging van een cliënt die kort na het bestreden besluit op bezwaar was overleden. De rechtbank had het beroep ontvankelijk geacht. De Afdeling oordeelt anders: “Anders dan in het geval waarin de Afdeling op 4 november 1997, ECLI:NL:RVS:1997:ZF2985, uitspraak heeft gedaan, is hier geen sprake van tegengestelde belangen van rechtzoekende en rechtshulpverlener, zodat het belang van X niet om die reden rechtstreeks betrokken is bij de weigering van de toevoeging. Het overlijden van Y en het ontbreken van erfgenamen die de procedure kunnen voortzetten, leidt voorts niet tot het oordeel dat het belang van X daarbij toch rechtstreeks betrokken is.” In de uitspraak van 4 november 1997, waarnaar de Afdeling verwijst, was de Afdeling van oordeel dat de advocaat geen afgeleid, maar een rechtstreeks betrokken belang had bij een besluit tot intrekking van een toevoeging, omdat hij een financieel belang had dat afweek van dat van de rechtszoekende, maar hanteerde de Afdeling nog niet de term ‘tegengesteld belang’. In de uitspraak van 9 maart 2000 doet zij dat wel. Daaruit kon al voorzichtig de conclusie worden getrokken dat in geval van tegengestelde belangen niet sprake is van afgeleid belang. Een principiële stap in die richting neemt de Afdeling in de zaak Amicon uit
- In die zaak waren diverse huisartsen in beroep gekomen tegen een besluit van het College toezicht zorgverzekeringen om Amicon (in de uitspraak: het ziekenfonds) ontheffing te verlenen van de verplichting overeenkomsten te sluiten ter zake van huisartsenzorg. Het College had deze vraag ontkennend beantwoord, omdat het belang van de huisartsen uitsluitend zou voortvloeien uit de tussen hen en Amicon bestaande privaatrechtelijke relatie. De Afdeling oordeelt anders: “De Afdeling is van oordeel dat geen sprake is van een afgeleid belang wanneer het belang van een appellant tegengesteld is aan dat van de partij waaraan het besluit is gericht. In de onderhavige zaak is deze situatie aan de orde, nu de kans dat het ziekenfonds alsnog met appellanten tot een overeenkomst voor het jaar 2004 zal komen met voor de huisartsen gunstiger voorwaarden dan thans worden gehanteerd, aanmerkelijk is verkleind door de verleende ontheffing. Aldus worden appellanten rechtstreeks in hun zakelijke en financiële belangen geraakt. Zij hebben dan ook een eigen, niet parallel met dat van het ziekenfonds lopend, rechtstreeks belang bij het ontheffingsbesluit, zodat zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Verweerder heeft het bezwaarschrift dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.” Ook in een uitspraak van 2 juli 2008, acht de Afdeling geen sprake van afgeleid belang, omdat de belang van de betrokken advocaat bij een besluit van de Raad voor de Rechtsbijstand inzake een toevoeging tegengesteld is aan dat van de aanvrager van de toevoeging. De Afdeling overweegt: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 februari 2001 in zaak nr. 200002194/1) betreft het belang, waarvoor een toevoeging wordt verleend, in beginsel slechts degene, aan wie wordt toegevoegd, en niet het belang van de rechtshulpverlener. De rechtshulpverlener heeft hooguit een daarvan afgeleid, indirect belang, behoudens gevallen waarin sprake is van tegengestelde belangen van de rechtzoekende en de rechtshulpverlener. De door [naam] aangevraagde toevoeging is mede door rechtshulpverlener [appellante] ondertekend. Bij besluit van 26 september 2006 heeft de raad de gevraagde toevoeging verleend. [appellante] betoogt met juistheid dat artikel 24, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand haar verplicht, zolang de toevoeging niet is gewijzigd of ingetrokken, de nodige rechtsbijstand te verlenen. De aanvankelijke afwijzing van de toevoeging bracht mee dat [appellante] haar cliënt het uurtarief in rekening kon brengen, maar ook dat er op grond van de Wet op de rechtsbijstand geen plicht was de nodige rechtsbijstand te verlenen. Het door [appellante] gestelde belang om het volledige uurtarief in rekening te brengen vloeit in dit geval voort uit het feit dat [appellante] in de periode die ligt tussen de eerdere afwijzing van de aanvraag en de toekenning daarvan inmiddels werkzaamheden heeft verricht, die nu slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komen. Dat belang is tegengesteld aan het belang van haar cliënt bij het herziene besluit tot toevoeging. [appellante] is daarmee in dit geval belanghebbende.” Tegengesteld en dus geen afgeleid belang wordt ook aangenomen in een uitspraak van de Afdeling van 28 september 2011, waarin Flevoland Invest in het hoger beroep inzake de aan dat bedrijf geweigerde vrijstelling en bouwvergunning voor de uitbreiding van haar supermarkt, had betoogd dat de rechtbank een concurrerende supermarkt ten onrechte als belanghebbende partij in de zin van artikel 8:26 Awb had aangemerkt. De Afdeling bevestigt het oordeel van de rechtbank. “[belanghebbende] exploiteert een supermarkt in de nabije omgeving van de door Flevoland Invest B.V. reeds gerealiseerde en te verbouwen supermarkt. De Afdeling deelt het standpunt van de rechtbank dat [belanghebbende] belanghebbende is bij het besluit van het college te weigeren aan Flevoland Invest B.V. vrijstelling en bouwvergunning te verlenen. Het belang van [belanghebbende], die een concurrerende supermarkt exploiteert, is tegengesteld aan dat van Flevoland Invest B.V. Immers, de in bezwaar gehandhaafde weigering om vrijstelling en bouwvergunning te verlenen, strookt met haar wens. Het door Flevoland Invest B.V. bij de rechtbank ingestelde beroep kon ertoe leiden dat het in bezwaar gehandhaafde weigeringsbesluit zou worden vernietigd, waardoor [belanghebbende] in een nadeliger positie zou komen te verkeren.” 6.14 In 2008 gebruikt de Afdeling voor de eerste keer de term ‘niet soortgelijke belangen’ in de plaats van ‘tegengestelde belangen’. Die term wordt daarna regelmatig gehanteerd, ook heel recent. ABRvS 30 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8895 (wijzigingsplan Berkeland) “De Afdeling deelt niet het standpunt van het college van burgemeester en wethouders dat [appellanten] slechts een afgeleid belang hebben, omdat zij huurder zijn van (een gedeelte van) het pand waarvoor de procedure aanhangig is, en daarom niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Het wijzigingsplan heeft mede betrekking op het voorhuis dat [appellanten] huren. Van een afgeleid belang zou sprake zijn in het geval [appellanten] via een contractuele verhouding - die voortvloeit uit in dit geval de huurovereenkomst - worden getroffen in een belang dat soortgelijk is aan dat van de eigenaar van het pand waar het wijzigingsplan op ziet. In het onderhavige geval is echter geen sprake van soortgelijke belangen. [appellanten] keren zich immers tegen de mogelijkheden die het wijzigingsplan biedt en de eigenaar van het pand wenst dat die mogelijkheden worden gerealiseerd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het belang van [appellanten] rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken.” ABRvS 19 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY6710 (Soest) “De raad betoogt dat [appellanten] geen belanghebbenden zijn bij het plan en dat hun beroep derhalve niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Daartoe voert de raad aan dat [appellanten] slechts huurder zijn van de woning aan de [locatie 2]. [appellanten] hebben als huurder geen rechtstreeks belang, doch een afgeleid belang op grond van de huurovereenkomst en kunnen daarom niet worden aangemerkt als belanghebbenden, aldus de raad.
- De Afdeling deelt niet het standpunt van de raad dat [appellanten] slechts een afgeleid belang hebben, omdat zij huurder zijn van het pand aan de [locatie 2], en daarom niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Van een afgeleid belang zou sprake zijn in het geval [appellanten] via een contractuele verhouding - die voortvloeit uit in dit geval de huurovereenkomst - worden getroffen in een belang dat soortgelijk is aan dat van de eigenaar van het pand. In het onderhavige geval is echter geen sprake van soortgelijke belangen. [appellanten] keren zich immers tegen de mogelijkheden die het plan biedt en de gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Stationsstraat
- Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het belang van [appellanten] rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Derhalve dienen zij als belanghebbende te worden aangemerkt en zijn zij ontvankelijk in hun beroep.” ABRvS 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2209 (Sportvisserij Zuidwest-Nederland) “De Afdeling is van oordeel dat [appellante A] en anderen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Hiertoe wordt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1211, overwogen dat van een afgeleid belang, zoals SZWN betoogt, sprake zou zijn in het geval [appellante A] en anderen door het besluit van 18 maart 2016 worden getroffen via een contractuele verhouding in een belang dat soortgelijk is aan dat van SZWN, de geadresseerde van dat besluit. Nu [appellante A] en anderen zich juist tegen de van rechtswege verlenging van de huurovereenkomst, en in het verlengde daarvan tegen de niet-ontvankelijkverklaring van SZWN, keren, is geen sprake van soortgelijke belangen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de belangen van [appellante A] en anderen rechtstreeks bij het besluit van 18 maart 2016 zijn betrokken en dat zij derhalve als belanghebbenden moeten worden aangemerkt.” Uit het voorgaande wordt duidelijk dat er volgens de Afdeling niet sprake is van afgeleid belang als het belang van de derde tegengesteld is aan, dan wel niet soortgelijk is als het belang van de geadresseerde. Welke betekenis deze terminologische ‘switch’ heeft (if any), weet ik, als gezegd in punt 6.12, niet. Het is denkbaar dat de Afdeling met de term (niet) soortgelijk enige nuance beoogt aan te brengen op de dichotomie tussen parallel en tegengesteld. Tussen die termen bevindt zich immers een grijs gebied, waarbij de belangen van de derde en geadresseerde niet volledig parallel lopen, maar evenmin tegengesteld zijn. Met de term ‘(niet) soortgelijk’ zou die nuance beter onder woorden kunnen worden gebracht. Op dit punt kom ik in punt 8.11 terug. Zelfstandig eigen belang in andere hoedanigheid 6.15 Soms acht de Afdeling een derde, die in de ene hoedanigheid (gebruiker, huurder) een van de geadresseerde afgeleid parallel belang heeft, toch belanghebbende omdat hij in een andere hoedanigheid (omwonende) een zelfstandig eigen belang heeft en in die hoedanigheid dus wel belanghebbende is. Een voorbeeld biedt de zaak Innovarec, waarin dat bedrijf in beroep was gekomen tegen de verlening door het gedeputeerde staten van Zeeland van een ontgrondingenvergunning aan vergunninghouder voor een zandwinning in Terneuzen. In beroep hadden het college en vergunninghouder gesteld dat Innovarec geen belanghebbende is, omdat het bedrijf de gronden waarop zij het bedrijf exploiteert niet in eigendom heeft, maar alleen gebruikt, zodat slechts sprake zou zijn van een van de grondeigenaar afgeleid belang. De Afdeling overweegt anders: “Innovarec is een afvalverwerkingsbedrijf aan de Amaliaweg 1 te Westdorpe. Volgens Innovarec liggen de meest nabij de ontgrondingslocatie gelegen gronden die bij haar in gebruik zijn op een afstand van ongeveer 250 meter tot die locatie. Innovarec vreest dat de ontgronding haar bedrijfsvoering kan hinderen door rondstuivend zand. Het standpunt van het college dat Innovarec geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft omdat zij de gronden waarop zij haar bedrijf uitoefent niet in eigendom heeft, kan niet worden gevolgd. Innovarec vreest voor de gevolgen van de vergunde ontgronding voor haar bedrijfsuitoefening en oefent haar onderneming uit op gronden in de buurt van de ontgrondingslocatie en heeft in die hoedanigheid eigen belangen die zijn te onderscheiden van de belangen van de grondeigenaar. […] Om die reden moet ervan worden uitgegaan dat haar belangen rechtstreeks bij het bestreden besluit zijn betrokken. Het beroep is dan ook ontvankelijk.” Deze situatie is ook aan de orde in de zaak Overbetuwe, waarin een tijdelijke huurster beroep had ingesteld tegen de vaststelling door de raad van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Randwijkse Waarden’. Volgens de raad was betrokkene geen belanghebbende, omdat haar belang was afgeleid van dat van de eigenaar van de woning. De Afdeling overweegt: “Ingevolge art