← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:3511

167582 PW-PV, 17/8054 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 9 december 2016, 16/2720 (aangevallen uitspraak 1) en van 8 december 2017, 17/3831 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 30 oktober 2018 Zitting heeft: W.H. Bel Griffier: C.A.E. Bon Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden. Namens appellant is verschenen mr. J.J.E. Stout, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Codrington. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak 1; bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen. Aangevallen uitspraak 1 (16/7582 PW)

  1. Het gaat in deze zaak om de toekenning van bijstand aan appellant met ingang van 23 april 2015, waarbij het college de bijschrijvingen en kasstortingen op de bankrekening van appellant op de bijstand in mindering heeft gebracht. Het gaat om vijftien bijschrijvingen van derden dan wel kasstortingen, variërend van € 55,- tot € 3.872,- in de periode van 23 april 2015 tot en met 30 juni
  2. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat deze bijschrijvingen en stortingen moeten worden aangemerkt als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (PW) dat bij de vaststelling van het recht op bijstand in aanmerking moet worden genomen.
  3. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
  4. Appellant heeft in hoger beroep de beroepsgronden herhaald dat de bijschrijvingen en kasstortingen geen inkomen zijn, maar geld dat hij heeft geleend van vrienden om in zijn levensonderhoud te voorzien.
  5. Deze beroepsgrond slaagt niet. De bijschrijvingen en kasstortingen betreffen periodiek door appellant ontvangen bedragen in de periode waarover hem achteraf recht op bijstand is toegekend. Volgens vaste rechtspraak heeft een betrokkene in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij zich periodiek middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Daartoe dient de betrokkene aannemelijk te maken dat er geen ander inkomen is en voorts dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud (uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872). Daarvan is hier geen sprake. Appellant heeft zelf verklaard ook te hebben geleefd van de opbrengst van de verkoop van zijn bedrijf. Dat daar tegenover schulden stonden, doet hier niet aan af. In juni 2015 heeft appellant bovendien een voorschot op de bijstand ontvangen. Voor wat betreft de stelling dat de bijschrijvingen zien op leningen ten behoeve van levensonderhoud, heeft de rechtbank terecht overwogen dat volgens vaste rechtspraak de betrokkene aannemelijk dient te maken van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen, dat uiterlijk bij de betaling de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft die dus moet worden terugbetaald en dat die lening voor levensonderhoud is bedoeld. Appellant is hierin niet geslaagd. Aangevallen uitspraak 2 (17/8054)
  6. Het gaat in deze zaak alleen om de brutering van de in 2016 vastgestelde terugvordering.
  7. Bij aangevallen uitspraak 2, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
  8. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat, nu het college het terugvorderingsbedrag niet meteen op het juiste - lagere - bedrag had vastgesteld, het appellant niet kan worden verweten dat hij de teruggevorderde bijstand niet in het jaar 2016 heeft terugbetaald.
  9. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht gewezen op vaste rechtspraak dat moet worden afgezien van de uitoefening van de bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat hij de schuld niet reeds heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Nu niet langer in geschil is dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, is de terugvordering niet buiten toedoen van appellant ontstaan en hoefde het college, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet van brutering af te zien.
  10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) C.A.E. Bon (getekend) W.H. Bel IJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.