1822 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 december 2017, 17/5740 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college) Datum uitspraak: 6 november 2018 Zitting heeft: F. Hoogendijk Griffier: F.H.R.M. Robbers Appellante is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juli 2017 ongegrond verklaard. Bij dat besluit had het college het bezwaar van appellante van 4 juni 2017 tegen een terugvorderingsbesluit van 10 augustus 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Hier ligt de vraag voor of dat terecht was.
- De termijn voor het indienen van bezwaar vangt aan op de dag nadat het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.
- Appellante heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat zij toen het terugvorderingsbesluit werd verstuurd gedetineerd was en het college daarvan op de hoogte was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
- Wat appellante heeft aangevoerd komt hierop neer, dat zij stelt dat het college het besluit van 10 augustus 2009 niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt, doordat het besluit ten onrechte niet naar haar detentieadres is gestuurd.
- Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat de verzending van het besluit van 10 augustus 2009 naar haar huisadres niet juist was. Het college heeft erkend dat de post met betrekking tot de huurbetaling op het detentieadres van appellante werd bezorgd. Het college heeft niet afdoende weersproken dat de bijstandsconsulent, die de adressering met appellante besprak, heeft toegezegd dat hij zou zorgen dat ook alle andere post daarnaartoe zou komen. De termijn om bezwaar te maken tegen het besluit van 10 augustus 2009 is daarom niet op de dag daarna aangevangen.
- Vaststaat echter dat het college appellante op 17 maart 2017 alsnog op correcte wijze op de hoogte heeft gebracht van het terugvorderingsbesluit van 10 augustus
- De termijn voor het maken van bezwaar is daarom aangevangen op 18 maart
- Appellant heeft eerst na afloop van de bezwaartermijn van zes weken het bezwaarschrift ingediend, namelijk op 4 juni
- Dit betekent dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding.
- Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) F. Hoogendijk md