← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:3632

173696 PW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 april 2017, 16/4822 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college) Datum uitspraak: 6 november 2018 Zitting heeft: F. Hoogendijk Griffier: F.H.R.M. Robbers Namens appellant is verschenen mr. M. Shaaban, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W. de Jong. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

  1. Bij besluit van 12 februari 2015 heeft het college de bijstand van appellant opgeschort met ingang van 1 februari
  2. Bij besluit van 2 maart 2015 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2015 ingetrokken. Bij besluit van 7 juli 2015 heeft het college de bezwaren van appellant tegen die besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 juli 2015 vernietigd.
  3. Bij besluit van 27 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het college opnieuw de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant ingevolge artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet (PW) met ingang van 1 februari 2015 was uitgesloten van het recht op bijstand. Daarbij heeft het college erop gewezen dat appellant te kennen is gegeven dat hij zich per 1 februari 2015 moest inschrijven voor een opleiding op niveau MBO 1 of
  4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Hier ligt de vraag voor of dat terecht is.
  5. Appellant heeft aangevoerd dat hij ten onrechte voorafgaande aan het bestreden besluit niet opnieuw is gehoord. Die grond slaagt niet. Niet in alle omstandigheden is het college gehouden om degene die bezwaar maakt tegen een besluit te horen. Het bestreden besluit is een herhaling van het besluit van 7 juli 2015, voorzien van een nadere onderbouwing. Appellant is niet in zijn belangen geschaad doordat een nadere hoorzitting achterwege is gebleven. Hij heeft afdoende gelegenheid gehad om op die nadere onderbouwing te reageren.
  6. Appellant heeft verder aangevoerd dat de intrekking van bijstand onjuist is omdat het college geen acht heeft geslagen op zijn persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden, die een opleiding op niveau MBO 3 rechtvaardigen. Die grond slaagt niet. Niet in geschil is dat zowel de in aanmerking komende opleidingen op niveau MBO 1 en 2 als de opleidingen op niveau MBO 3 opleidingen zijn als bedoeld in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, van de PW. Ook is niet in geschil dat van appellant kon worden gevergd dat hij zich bij een dergelijke opleiding zou inschrijven. De vraag welk niveau van opleiding voor appellant het meest aangewezen was, is – hoe veel waarde partijen hier ook aan hechten – in dit verband niet van betekenis.
  7. Dit brengt mee dat het besluit tot intrekking van de bijstand in stand blijft. Gelet op wat ter zitting is besproken behoeft het besluit tot opschorting van de bijstand daarom geen bespreking meer.
  8. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) F.H.R.M. Robbers (getekend) F. Hoogendijk md

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.