← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:3715

171461 AKW-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 januari 2017, 16/3058 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) Datum uitspraak: 1 november 2018 Zitting heeft: mr. M.F.J.M. de Werd Griffier: H. Achtot Appellant is – met bericht van verhindering – niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen: 1.

  1. Appellant is in 2008 vanuit Irak Nederland ingereisd en beschikte in ieder geval over de periode 21 januari 2008 tot en met 21 januari 2013 over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de Vreemdelingwet
  2. Sinds 2009 ontving appellant kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van zijn vier kinderen. 1.
  3. Bij besluit van 15 augustus 2014 heeft de Svb de kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2014 beëindigd, omdat appellant sinds 5 augustus 2014 niet meer rechtmatig in Nederland verblijft. Dit besluit is gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 24 maart
  4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb zich op grond van gegevens van de IND terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellant en zijn gezinsleden met ingang van 5 augustus 2014 niet meer rechtmatig in Nederland verblijven. Gelet op het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de AKW was appellant vanaf dat moment dan ook niet meer verzekerd voor de AKW. Hieraan kan niet afdoen dat appellant nog een bijstandsuitkering ontvangt, zijn kinderen naar school gaan en dat nog een procedure liep in het kader van de kinderpardonregeling. 3.
  5. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van de geschetste bijzondere omstandigheden recht heeft op kinderbijslag. Aangevoerd is dat hij en zijn gezinsleden lange tijd rechtmatig in Nederland hebben verbleven en dat het duurzame karakter van zijn verblijf in Nederland met zich mee behoort te brengen dat hij als ingezetene moet worden aangemerkt en dat kinderbijslag ten behoeve van zijn kinderen wordt verstrekt. Volgens appellant mag de wettelijke voorwaarde van rechtmatig verblijf in zijn geval niet doorslaggevend zijn. 3.
  6. De Svb heeft gesteld dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
  7. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde in geding op grond van het nationale recht niet verzekerd was voor de AKW. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant genoemde omstandigheden niet kunnen leiden tot toekenning van kinderbijslag in weerwil van de wettelijke bepalingen. Ook uit het internationale recht valt niet af te leiden dat appellant niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op de grond dat hij ten tijde in geding niet beschikte over een verblijfstitel als genoemd in artikel 6, tweede lid, van de AKW. Verwezen wordt naar ECLI:NL:HR:2012:BW
  8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) H. Achtot (getekend) mr. M.J.J.M. de Werd Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde GdJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.