174942 WMO15 Datum uitspraak: 21 november 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 juni 2017, 16/8606 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M. el Hachmioui, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober
- Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. El Hachmioui. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Drazenovic. OVERWEGINGEN
- De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Appellante, geboren in 1936, heeft beperkingen die haar belemmeren bij het zelf doen van huishoudelijke taken. 1.
- Bij besluit van 6 juli 2016, gehandhaafd bij besluit van 14 september 2016 (bestreden besluit), heeft het college aan appellante een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp verstrekt voor 4 uur per week, voor de periode van 6 juli 2016 tot en met 5 juli 2017, in de vorm van zorg in natura. Hierbij is, onder toepassing van (de normtijden van) het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging van het CIZ (CIZ-Protocol), uitgegaan van wekelijks 90 minuten voor zwaar huishoudelijk werk, 60 minuten voor licht huishoudelijk werk, 60 minuten voor de wasverzorging en 30 minuten extra voor stof afnemen vanwege de COPD-klachten van appellante.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen. Het college heeft bij de indicatiestelling de normtijden uit het CIZ-Protocol toegepast. De werkwijze waarbij het CIZ‑Protocol wordt gebruikt bij het indiceren van hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is door de Raad in zijn uitspraak van 11 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4262) geaccepteerd. Niet is gebleken dat de normtijden in het geval van appellante op een onjuiste manier zijn toegepast. Er heeft een individuele beoordeling plaatsgevonden, waarbij aan de hand van alle door appellante geuite lichamelijke klachten en de voorhanden zijnde medische gegevens de zorgbehoefte is bepaald. Met een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp voor 4 uur per week wordt appellante voldoende gecompenseerd in haar zelfredzaamheid en participatie. Appellante heeft ook niet nader onderbouwd welke huishoudelijke taken in haar situatie nog meer overgenomen zouden moeten worden. Dat de ene hulpverlener meer tijd nodig heeft dan de ander om de huishoudelijke taken af te krijgen, is geen reden om een hogere indicatie te stellen.
- Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft daarbij de bij de rechtbank aangevoerde gronden herhaald. Daarnaast heeft appellante ter onderbouwing van haar medische situatie een aantal medische stukken overgelegd.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel berust. De Raad voegt hier het volgende aan toe. 4.
- Appellante heeft in hoger beroep herhaald wat zij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt, dat zij vanwege haar beperkingen is aangewezen op meer uren huishoudelijke hulp, diverse (medische) stukken overgelegd. Hierin heeft de Raad geen steun gevonden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. De in hoger beroep ingebrachte medische stukken bevestigen grotendeels de al bij het college bekende en bij de beoordeling betrokken aandoeningen van appellante. Op basis van deze aandoeningen en de daaruit voortvloeiende beperkingen heeft het college al geconcludeerd dat appellante geen huishoudelijke taken kan verrichten. Verder blijkt uit wat appellante heeft aangevoerd niet van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in artikel 22 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Rijswijk
- 4.
- Uit wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november
- (getekend) M.F. Wagner (getekend) O.V. Vries JvC