171108 PW-PV, 17/3497 PW-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2016, 15/3027, en 21 maart 2017, 15/7020, (aangevallen uitspraken) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college) Datum uitspraak: 20 november 2018 Zitting hebben: A.B.J. van der Ham, Y.J. Klik en G.M.G. Hink Griffier: C.A.E. Bon Ter zitting zijn verschenen: appellante, bijgestaan door mr. J.J. Brosius, advocaat, en mr. H. Chikar, gemachtigde van het college. BESLISSING Zaak 17/1108 PW De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak; verklaart het beroep tegen het besluit van 30 maart 2015 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover de hoogte van de boete is vastgesteld op € 3.310,25; herroept het besluit van 24 november 2014 voor zover; stelt het bedrag van de boete vast op € 2.206,78 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 30 maart 2015; veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.022,20; bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen: Appellante heeft de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de door haar ontvangen uitkering op grond van de Wet zwangerschaps- en bevallingsuitkering zelfstandigen (ZEZ-uitkering). Het beroep op de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, tweede volzin, van de Wet werk en bijstand (WWB), die een uitzondering op de inlichtingenverplichting regelt, slaagt niet omdat deze ministeriële regeling ten tijde in geding nog niet in werking was getreden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een brief aan de heer De Jong, medewerker van de gemeente, heeft gezonden met de melding dat zij een ZEZ-uitkering ontving. De melding waarnaar appellante verwijst heeft het college niet bereikt. De bewijslast rust hierbij op appellante en daaraan is niet voldaan. Appellante heeft een beroep gedaan op verminderde verwijtbaarheid omdat sprake zou zijn van gedeelde verwijtbaarheid tussen appellante en het college, nu het college volgens haar in staat zou zijn Suwinet te raadplegen en aldus te zien dat appellante een uitkering ontving. Dit beroep slaagt niet, reeds omdat de ministeriële regeling waarop appellante in dit kader een beroep doet ten tijde in geding nog niet in werking was getreden. Gelet op de schending van de inlichtingenverplichting, waarvan appellante een verwijt kan worden gemaakt, was het college in beginsel gehouden een boete op te leggen. Voor wat betreft de mate waarin appellante de gedraging kan worden verweten heeft het college niet aangetoond dat sprake is van grove schuld. Dat betekent dat, uitgaande van normale verwijtbaarheid, de hoogte van de boete wordt vastgesteld op 50% van € 4.413,56, dat is € 2.206,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.