← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:399

156650 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 oktober 2015, 15/1302 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 17 januari 2018 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken ingebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen. Het Uwv is niet verschenen. OVERWEGINGEN 1.
  2. Nadat het Uwv appellant eerder een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) had toegekend, heeft het Uwv appellant bij besluit van 30 januari 2014 alsnog met terugwerkende kracht met ingang van 28 mei 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en genoemde WW-uitkering met ingang van diezelfde datum ingetrokken. 1.
  3. Uit raadpleging van Suwinet is het Uwv nadien gebleken dat appellant sinds 1 januari 2014 inkomsten uit werkzaamheden bij [naam centrum] heeft genoten. Hierdoor heeft appellant over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 een bedrag van € 3.560,28 teveel ontvangen aan WIA-uitkering. Dit bedrag heeft het Uwv bij besluit van 22 augustus 2014 van appellant teruggevorderd. 1.
  4. Bij besluit van 18 september 2014 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 3.560,28, omdat hij niet heeft doorgegeven dat hij vanaf 1 januari 2014 werkzaam was bij [naam centrum] . 1.
  5. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 28 april 2015 (bestreden besluit) gegrond verklaard, dit besluit herroepen en het een boete opgelegd van € 1.790,-, met vergoeding van de kosten van het bezwaar.
  6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor de rechtbank is vast komen te staan dat appellant eigener beweging geen mededeling heeft gedaan van zijn inkomsten bij [naam centrum] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2014 en dat hij daarmee zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Dat appellant deze inkomsten heeft gemeld aan zijn werkcoach is de rechtbank niet gebleken en acht de rechtbank ook niet aannemelijk. Het Uwv was dan ook op grond van artikel 27, achtste lid, van de Wet WIA in beginsel gehouden een boete op te leggen. Het Uwv heeft de boete op grond van het Boetebesluit sociale verzekeringswetten (Boetebesluit) vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag van € 3.560,28 en afgerond op € 10,- naar boven. Het benadelingsbedrag staat vast. Naar het oordeel van de rechtbank valt appellant een verwijt te maken van de onjuiste informatieverstrekking en is er geen aanleiding de boete verder te matigen dan 50% van het benadelingsbedrag vanwege verminderde verwijtbaarheid. Van een dringende reden om af te zien van het opleggen van een boete is de rechtbank niet gebleken. 3.
  7. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de boete ten onrechte is opgelegd, omdat hij zijn werkcoach wel heeft geïnformeerd over zijn inkomsten en dat er daarom geen sprake is van een schending van zijn informatieplicht. 3.
  8. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
  9. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
  10. Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat met ingang van 1 januari 2017 artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit is vervallen. Als gevolg daarvan wordt de boete niet meer naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. 4.
  11. In geschil is de vraag of het Uwv terecht een boete aan appellant heeft opgelegd en meer in het bijzonder of appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. 4.
  12. De overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak over het schenden van de inlichtingenplicht door appellant worden geheel onderschreven. Ook in hoger beroep heeft appellant niet concreet toegelicht hoe en wanneer hij zijn werkcoach heeft geïnformeerd over zijn inkomsten bij [naam centrum] in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli
  13. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat hij was gehinderd in zijn bewijsvoering, omdat hij niet beschikte over de adresgegevens van zijn werkcoach, slaagt deze grond niet. In hoger beroep heeft het Uwv immers op 1 februari 2016 alsnog deze gegevens ingebracht. Dat appellant hiervan geen gebruik heeft gemaakt, komt voor zijn rekening en risico. In dit stadium van de procedure is er geen aanleiding om appellant alsnog in staat te stellen de werkcoach te benaderen. 4.
  14. Ook de overige overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak worden onderschreven, alleen niet voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de boete terecht heeft afgerond op een veelvoud van € 10,-. Als gevolg van het vervallen van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit moet op grond van artikel 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij een voor een betrokkene relevante wijziging in het recht de voor betrokkene meest gunstige bepaling worden toegepast. Dat betekent dat in het geval van appellant een boete van € 1.780,14 passend en geboden is. 4.
  15. Uit 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal het boetebedrag worden vastgesteld op € 1.780,
  16. Gelet op 4.5 bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.004,- voor verleende rechtsbijstand. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 28 april 2015; - stelt het bedrag van de boete vast op € 1.780,14 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 28 april 2015; - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 2.004,-; - bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en E. Dijt en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari
  17. (getekend) C.C.W. Lange (getekend) R.H. Budde CVG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.