← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:4022

173288 PW-PV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 maart 2017, 16/3824 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college) Datum uitspraak: 4 december 2018 Zitting hebben: J.J.A. Kooijman, W.F. Claessens en J.T.H. Zimmerman Griffier: J. Tuit Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. van de Wege. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen: Het geschil betreft de afwijzing van de aanvraag om bijstand van appellante van 7 juni

  1. De besluitvorming is gebaseerd op een huisbezoek dat heeft plaatsgevonden op het adres van appellante op 15 september
  2. Het geschil gaat over de vraag of er een redelijke grond bestond voor het afleggen van het huisbezoek. Appellante heeft tijdens een spreekkamergesprek op 23 augustus 2016 - onder meer - verklaard dat de heer [naam] ( [X] ) nog iedere dag langskomt voor de kinderen, maar dat hij daar niet overnacht. Haar kinderen weten niet dat ze uit elkaar zijn. Soms kan haar kleinste niet goed slapen en dan komt hij om de kleinste in slaap te helpen. Hij blijft nooit tot ’s ochtends in de woning. Soms komt [X] om haar te helpen om de kinderen klaar te maken. Dit is tussen 7.00 uur en 8.00 uur. Hij is in mei uitgeschreven van haar adres. Hij was al eerder weg. Hij heeft later zijn kleding en administratie meegenomen. Zijn schooladministratie ligt nog wel bij haar thuis. Hij heeft nog drie à vier zakken met spullen bij haar op zolder staan. [X] komt met de auto naar haar toe, hij heeft een sleutel van de woning. Uit de waarnemingen die hebben plaatsgevonden in de periode van 6 september 2016 tot en met 15 september 2015 komt naar voren dat een blauwe [merk auto] met kenteken [kenteken] zeven keer voor de deur van appellante wordt gezien en één keer niet. Van die zeven keer is die auto één keer om 6.20 uur, één keer om 6.40 uur en één keer om 6.41 uur gezien, terwijl appellante heeft verklaard dat [X] om 7.00 uur komt om te helpen met de kinderen. Het college achtte aannemelijk dat [X] gebruik maakte van die auto, omdat gebleken was dat [X] betrokken was bij de export van auto’s en deze auto bij de RDW stond geregistreerd als bestemd voor de export. Op basis van deze gegevens kon het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellante dat zij een alleenstaande ouder was. De woon- en leefsituatie kon niet op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze worden geverifieerd dan door middel van een onaangekondigd huisbezoek. Appellante is eerst gehoord en er hebben waarnemingen plaatsgevonden. Het college heeft dus eerst minder belastende onderzoeksmiddelen ingezet alvorens tot een huisbezoek over te gaan. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het hier om een aanvraag van appellante gaat en dat het dus aan appellante is om haar woon- en leefsituatie aannemelijk te maken. Het gaat erom of appellante alleen met haar kinderen woonde. Anders dan appellante heeft aangevoerd, was het daarom niet aangewezen om waarnemingen op het adres van [X] te verrichten. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) J. Tuit (getekend) J.J.A. Kooijman sg

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.