175545 WW Datum uitspraak: 19 december 2018 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2017, 16/4790 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken overgelegd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november
- Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. OVERWEGINGEN 1.
- Het Uwv heeft appellant met ingang van 1 januari 2016 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (WW), bij gelijkblijvende omstandigheden lopend tot en met 31 mei
- De WW-uitkering is per 20 april 2016 beëindigd vanwege volledige werkhervatting. 1.
- Bij besluit van 23 maart 2016 heeft het Uwv de aan appellant toegekende WW-uitkering bij wijze van maatregel met ingang van 2 maart 2016 verlaagd met 25% gedurende vier maanden op de grond dat hij in de periode van 3 februari 2016 tot en met 1 maart 2016 onvoldoende heeft gesolliciteerd. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.
- Bij beslissing op bezwaar van 10 juni 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 maart 2016 ongegrond verklaard.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen stukken heeft overgelegd die zijn stelling onderbouwen dat hij viermaal in vier weken heeft gesolliciteerd, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat appellant niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Dit betekent dat het Uwv bevoegd was tot het opleggen van een maatregel. De door appellant aangevoerde omstandigheden bieden geen grond voor het oordeel dat het niet nakomen van de sollicitatieplicht appellant niet of slechts in beperkte mate kan worden aangerekend. Appellant is bij de toekenning van de WW-uitkering gewezen op de sollicitatieplicht en de gevolgen van het niet voldoen hieraan. Ook de ziekte van zijn moeder geeft geen aanleiding om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het zwaar is voor appellant dat zijn moeder ziek is, ontslaat dit hem niet van de sollicitatieplicht, aldus de rechtbank. 3.
- Appellant heeft in hoger beroep zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat hij wel heeft gesolliciteerd, maar dat hij in verband met de ziekte van zijn moeder is vergeten de sollicitaties in een aparte map van het Uwv op te slaan. Ook was de site van het Uwv van 18 tot 22 maart 2016 in onderhoud, waardoor appellant niet kon inloggen. Appellant was in de veronderstelling dat alles goed was, nadat hij aan het Uwv had uitgelegd waarom de sollicitaties niet in de juiste map stonden. Appellant is van mening dat het Uwv er meer waarde aan hecht dat hij werk vindt, dan dat hij werk op zijn eigen niveau vindt. Appellant heeft in hoger beroep aanvullende informatie over zijn sollicitatieactiviteiten overgelegd. 3.
- Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht de WW-uitkering van appellant bij wijze van maatregel heeft verlaagd met 25% gedurende vier maanden op de grond dat appellant in de periode van 3 februari 2016 tot en met 1 maart 2016 onvoldoende sollicitatieactiviteiten in het kader van de WW heeft verricht. 4.
- Appellant heeft in hoger beroep de in beroep aangevoerde gronden herhaald. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Voor een andersluidend oordeel zijn in hoger beroep geen aanknopingspunten. Uit de in hoger beroep door appellant overgelegde stukken blijkt niet dat hij in de periode van 3 februari 2016 tot en met 1 maart 2016 vier sollicitaties heeft verricht. 4.
- Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet daarom worden afgewezen.
- Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af. Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december
- (getekend) A.I. van der Kris (getekend) R.H. Budde md