164742 WW Datum uitspraak: 17 december 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2016, 16/1171 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP De Raad heeft in het geschil tussen partijen op 22 februari 2018 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2018:582). Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv nadere stukken ingezonden. Appellante heeft hierop gereageerd. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij voegt daar het volgende aan toe. 1.2. Bij de tussenuitspraak is geoordeeld dat aan het ontslag van appellante een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ten grondslag ligt, maar dat het Uwv onvoldoende heeft onderzocht of de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris) bij het verlenen van het ontslag voortvarend genoeg is opgetreden en dat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij is overwogen dat de procedure die tot het ontslag heeft geleid tussen 8 maart 2015 en 10 juni 2015 lijkt te hebben stilgelegen. Het Uwv is in de gelegenheid gesteld het standpunt dat de staatssecretaris bij de ontslagverlening voortvarend heeft gehandeld nader te onderbouwen. 2.1. Het Uwv heeft zich na nader onderzoek op het standpunt gesteld dat de staatssecretaris in de ontslagprocedure voortvarend genoeg is opgetreden. Het Uwv heeft toegelicht dat de Inspecteur der Belastingen (inspecteur) op 13 februari 2015 bij de staatssecretaris een melding heeft gedaan van mogelijk plichtsverzuim door appellante. Vervolgens heeft de staatssecretaris appellante bij brief van 18 februari 2015 plichtsverzuim ten laste gelegd, waarop appellante bij brief van 26 februari 2015 heeft gereageerd. Op 4 maart 2015 heeft er een mondeling verantwoordingsgesprek plaatsgevonden. Na het bekend worden van de definitieve uitkomst van het fiscale geschil op 2 juni 2015 is het ontslag besproken met de betreffende afdeling, wat heeft geleid tot het schorsingsbesluit van 10 juni 2015. Het Uwv heeft benadrukt dat de staatssecretaris vanaf het moment dat hij bekend was met het plichtsverzuim de inspecteur heeft verzocht om en gemaand tot spoedige afhandeling. Tussentijds heeft hij regelmatig bij de inspecteur verzocht om informatie over de voortgang van de fiscale beoordeling. Nadat de staatssecretaris door de inspecteur op de hoogte was gesteld van de definitieve uitkomst van het fiscale onderzoek is de staatssecretaris direct tot actie overgegaan. 2.2. Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat van voortvarend handelen door de staatssecretaris geen sprake is geweest. In dit kader heeft zij erop gewezen dat de inspecteur haar bij brief van 2 februari 2015 heeft bericht dat, als hij niet voor 17 februari 2015 een reactie van appellante zou hebben ontvangen op de voorgenomen afwijkingen van haar aangifte, appellante de definitieve aanslag zou ontvangen. Gelet op het feit dat zij niet heeft gereageerd op deze brief is volgens appellante de aanslag op 17 februari 2015 definitief geworden. Om die reden heeft zij vervolgens niet inhoudelijk gereageerd op de brief van 12 maart 2015 met aanvullende vragen over haar aangifte 2012. Appellante heeft in haar bezwaarschrift van 24 maart 2015 naar aanleiding van de brief van 12 maart 2015 ook gewezen op de tegenstrijdigheid tussen de brief van 2 februari 2015 en de brief van 12 maart 2015, maar op dat bezwaarschrift is niet gereageerd. Volgens appellante is er niet voortvarend gehandeld omdat het fiscale onderzoek dat drie maanden in beslag heeft genomen, niet had mogen plaatsvinden aangezien de aanslag op 17 februari 2015 al definitief was vastgesteld. 3. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.1. Na de tussenuitspraak van de Raad op 22 februari 2018 heeft de Raad aanleiding gezien om zich op zijn rechtspraak over verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de Werkloosheidswet (WW) te beraden. In de uitspraken van de Raad van 7 november 2018 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2018:3469) is overwogen dat er aanleiding bestaat het onderscheid tussen de objectief dringende reden en de subjectief dringende reden niet langer te maken voor zover daarmee wordt gedoeld op de voortvarendheid waarmee de werkgever bij de beëindiging van het dienstverband heeft gehandeld. Daaraan ligt ten grondslag dat de in artikel 7:677 van het BW opgenomen onverwijldheidseisen geen deel uitmaken van het begrip dringende reden in artikel 7:678 van het BW waarnaar artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW verwijst. Bij de beoordeling van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is het voldoen aan de onverwijldheidseisen dus geen voorwaarde. Voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid dient, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.