171064 WIA-PV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2016, 16/5139 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 5 december 2018 Zitting heeft: mr. A.I. van der Kris Griffier: R.H. Budde Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december
- Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Pelle, advocaat. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen: 1.
- Bij besluit van 5 oktober 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 17 oktober 2015 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 36,35% en het einde van de loongerelateerde periode op 16 november
- 1.
- Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2015 is bij beslissing op bezwaar van 13 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. 1.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 1.
- Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2805) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. 1.
- Vastgesteld wordt dat hangende de procedure in hoger beroep de periode van de loongerelateerde WGA-uitkering in het besluit van 5 oktober 2015, die liep tot 16 november 2017, is verstreken. Ter zitting is gebleken dat appellant sinds 16 november 2017 een WGA-vervolguitkering ontvangt. Tegen het besluit van het Uwv waarbij is vastgesteld dat voor appellant met ingang van 16 november 2017 recht is ontstaan op een WGA-vervolguitkering heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. 1.
- Desgevraagd heeft appellant ter zitting verklaard niet te kunnen zeggen waarin nog een belang is gelegen bij de beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. 1.
- Omdat het procesbelang hangende het hoger beroep is komen te vervallen, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Waarvan proces-verbaal. De griffier De voorzitter (getekend) R.H. Budde (getekend) A.I. van der Kris SSa