Datum uitspraak: 27 december 2018 17/6325 WIA-V Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 september 2017, 17/848 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) PROCESVERLOOP Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 31 januari 2018 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard. Namens appellant heeft mr. I.J.G. van Raab van Canstein, advocaat, verzet gedaan. Het verzet is behandeld ter zitting van 13 november
- Voor appellant is verschenen mr. G.G. Kempenaar, kantoorgenoot van mr. Van Raab van Canstein. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen. OVERWEGINGEN De uitspraak van de Raad van 31 januari 2018 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de in de brief van 6 november 2017 gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. In verzet heeft de gemachtigde van appellant te kennen gegeven dat het griffierecht op 19 december 2017 door appellant is voldaan. Appellant was door medische klachten en zware medicatie niet in staat het griffierecht tijdig te voldoen. Het gaat hier om een redelijk marginale overschrijding van de betalingstermijn. De Raad is van oordeel dat in verzet niet is gebleken dat appellant op grond van medische redenen niet in staat is geweest het griffierecht tijdig te (laten) voldoen. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat appellant al geruime tijd kampt met medische klachten en een leefsituatie heeft in aanwezigheid van familieleden. Het had op de weg van appellant gelegen om hulp van derden in te schakelen indien hij gezien zijn medische situatie niet in staat was zijn belangen goed te behartigen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard. Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 124,-) zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - verklaart het verzet ongegrond; - bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- door de griffier van de Centrale Raad van Beroep aan appellant moet worden terugbetaald. Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december
- (getekend) H.C.P. Venema (getekend) M.A.E. Lageweg LO