166721 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 september 2016, 16/486 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college) Datum uitspraak: 13 februari 2018 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2017. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.T.F.A. de Boer. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontving sinds 1 september 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij verrichtte in het kader van zijn eigen onderneming advieswerkzaamheden op het terrein van [werkgebied] . 1.2. Bij besluit van 22 december 2014 heeft het college met toepassing van de Richtlijn Deeltijdondernemers van de gemeente Arnhem (Richtlijn) aan appellant tot 30 juni 2015 toestemming verleend om bedrijfsactiviteiten van bescheiden omvang uit te voeren als deeltijdondernemer. In de bijlage bij dit besluit heeft het college onder meer vermeld dat de verworven middelen in mindering worden gebracht op de bijstand. Tevens heeft het college daarin vermeld dat, indien voor de uitvoering van de werkzaamheden bedrijfskosten worden gemaakt, deze bedrijfskosten in bepaalde, in de bijlage nader omschreven, gevallen aftrekbaar zijn en dat specifieke bedrijfskosten in dat verband ter discussie kunnen worden gesteld. 1.3. In het kader van een onderzoek naar het recht op bijstand van appellant over het jaar 2014 heeft het college vastgesteld dat de onderneming van appellant over dat jaar een omzet heeft gemaakt van € 1.161,53. Het college heeft de op grond van de Richtlijn in aanmerking te nemen bedrijfskosten vastgesteld op een bedrag van € 937,64. Dit heeft het college tot de conclusie geleid dat de in aanmerking te nemen inkomsten over het jaar 2014 € 223,89 bedroegen. Het college had over januari 2014 reeds een bedrag van € 157,30 aan inkomsten uit deeltijdondernemerschap in mindering gebracht op de bijstand van appellant. Gelet op het voorgaande heeft het college geconcludeerd dat over het jaar 2014 nog een bedrag van € 66,59 in mindering diende te worden gebracht op de aan appellant verleende bijstand. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 22 september 2015. 1.4. Bij besluit van 21 september 2015 heeft het college het recht op bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 in overeenstemming met wat onder 1.3 is overwogen herzien en de kosten van bijstand over die periode van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 66,59. 1.5. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft hierbij aangevoerd dat het college ten onrechte de kosten van collegegeld voor een masterstudie Rechten niet als aftrekpost in aanmerking heeft genomen. 1.6. Het college heeft het besluit van 21 september 2015 gehandhaafd bij besluit van 10 december 2015 (bestreden besluit). Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen aanleiding bestaat het collegegeld voor de masteropleiding als aftrekpost in aanmerking te nemen omdat deze deeltijdstudie niet essentieel is om de werkzaamheden als deeltijdondernemer te kunnen verrichten. Het collegegeld betreft niet indirecte beroepskosten die in het kader van het deeltijdondernemerschap als aftrekpost op de inkomsten in mindering moeten worden gebracht. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft ter zitting afdoende toegelicht wat de gronden van het hoger beroep zijn. Deze gronden houden, verkort weergegeven, het volgende in. Het college heeft ten onrechte de kosten van het collegegeld voor een masterstudie niet als aftrekpost in aanmerking heeft genomen. Het was appellant niet op het juiste moment duidelijk welke posten wel en welke niet op de bedrijfsresultaten in mindering konden worden gebracht. Dat de kosten van het collegegeld niet als aftrekpost werden aanvaard acht appellant daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel. Het college had de regelgeving van de Belastingdienst moeten volgen. Het college heeft zich ten onrechte gemengd in de zakelijke afwegingen die hij als ondernemer in het kader van zijn bedrijfsvoering meende te moeten maken. Appellant ziet zich beperkt in zijn vrijheid om als ondernemer zakelijke beslissingen te kunnen nemen. Het college heeft zich ten onrechte bevoegd en in staat geacht om te bepalen wat indirecte en directe zakelijke kosten zijn en bovendien bij het bepalen van de inkomsten miskend dat de winst wordt gevormd door de omzet minus de kosten. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Niet in geschil is dat appellant ten tijde hier van belang niet was aan te merken als zelfstandige in de zin van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz), zodat het college het recht op bijstand van appellant terecht heeft vastgesteld met toepassing van de bepalingen van de WWB. 4.2. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de WWB had appellant over het jaar 2014 recht op bijstand voor zover hij niet over de middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van WWB, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WWB is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm. Volgens artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 van de WWB in aanmerking genomen middelen voor zover deze (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.