← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:601

17/6823 APPA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van De Bilt (verweerder) Datum uitspraak: 1 maart 2018 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr J.H. Vegter, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 29 augustus 2017, kenmerk 222330 (bestreden besluit). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari

  1. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vegter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Vriezen en J.E.J.A. Schafraad. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellant is van 3 september 1974 tot 5 september 1978 en van 7 september 1982 tot 1 mei 1990 [naam functie] geweest bij gemeente De Bilt. Over de periode van 5 september 1978 tot 7 september 1982 en over de periode van 1 mei 1990 tot 26 februari 1995 ontving hij wachtgeld. Vanaf 26 februari 1995 ontvangt hij een pensioen ingevolge de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). 1.
  3. In oktober 2013 heeft appellant bij verweerder informatie gevraagd over de berekening van zijn pensioen. Na veelvuldige correspondentie tussen appellant en verweerder heeft appellant verweerder verzocht om herziening van zijn pensioen vanaf 26 februari 1995, rekening houdende met pensioenopbouw over de wachtgeldperiode van 1 januari 1979 tot 7 september
  4. Appellant heeft hierbij verwezen naar de Eerste wijziging Uitkerings- en Pensioenverordening wethouders van 1970, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van De Bilt op 23 februari 1982 (verordening). 1.
  5. Bij besluit van 6 maart 2017 heeft verweerder het verzoek van appellant afgewezen voor zover het verzoek ziet op herziening van het pensioen over de periode van 26 februari 1995 tot 2 oktober 2013, omdat geen novum is aangevoerd op grond waarvan terug moet worden gekomen van het toekenningsbesluit uit
  6. Uit coulance heeft verweerder per 1 maart 2017 het maandelijkse pensioen van appellant verhoogd met € 125,- bruto en aan hem over de periode van 2 oktober 2013 tot 1 maart 2017 een eenmalig bedrag van € 5.070,17 toegekend. Hierbij is verweerder uitgegaan van de fictieve situatie dat door appellant pensioen zou zijn opgebouwd over de periode van 1 januari 1979 tot 7 september
  7. Bij het bestreden besluit van 29 augustus 2017 heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 maart 2017, na een inhoudelijke beoordeling, ongegrond verklaard. Voorts heeft verweerder de uit coulance toegekende verhoging van het pensioen met toepassing van artikel 122 van de Appa ingetrokken per 1 september
  8. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat vaststaat dat appellant over de periode van 1 januari 1979 tot 7 september 1982, conform de destijds geldende bepalingen, geen pensioen heeft opgebouwd. Ingevolge de overgangs- en slotbepalingen van de Wet van 5 juli 1979, Stb. 1979, 518 tot wijziging van de Appa (Appa (oud)), is de wijziging inzake pensioenopbouw gedurende de wachtgeldperiode niet van toepassing in gevallen waarbij de toekenning van het wachtgeld heeft plaatsgevonden voor 1 januari
  9. Voorts volgt uit de bepalingen een duidelijke opdracht om de inwerkingtreding van de verordening op precies dezelfde wijze als bepaald in de Appa (oud) op te nemen.
  10. Naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling. 3.
  11. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft - ook - de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Uit deze uitspraak vloeit voort dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. 3.
  12. Bij het bestreden besluit heeft alsnog een inhoudelijke beoordeling plaatsgevonden van de pensioenaanspraken van appellant vanaf
  13. De Raad zal dit besluit dus beoordelen als ware dit het eerste besluit ter zake. Vaststaat dat aan appellant bij besluit van 1 september 1978 met ingang van 5 september 1978 wachtgeld is toegekend ingevolge waarvan geen pensioenopbouw plaatsvond gedurende de wachtgeldperiode. Met invoering van de Appa (oud) is, naast andere wijzigingen, bepaald dat gedurende de wachtgeldperiode pensioenopbouw plaatsvindt. 3.
  14. Appellant heeft in beroep betoogd dat hij vanaf 1 januari 1979 moet worden geacht pensioen te hebben opgebouwd over zijn uitkeringsperiode. Hij heeft hierbij verwezen naar de verordening, waarin ingevolge artikel IV, tweede lid is bepaald dat het relevante artikel over pensioenopbouw gedurende de wachtgeldperiode terugwerkt tot 1 januari
  15. Dit betoog slaagt niet. De Appa (oud) is met ingang van 1 oktober 1979 in werking getreden met gedeeltelijke terugwerkende kracht tot 1 januari
  16. Uit de overgangs- en slotbepalingen zoals weergegeven in artikel II, vierde lid, onder b, gelezen in samenhang met artikel III, vierde tot en met het zesde lid, volgt, voor zover hier van belang, dat de wijziging inzake pensioenopbouw gedurende de wachtgeldperiode geen toepassing vindt ten aanzien van uitkeringen die zijn toegekend voor het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet. Voorts worden de verordeningen met inachtneming van de bepalingen van de wet met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van de wet gewijzigd. Zo nodig worden in de verordeningen overeenkomstige overgangsbepalingen opgenomen als vermeld in Artikel II. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepalingen ontleent de Raad voorts nog de volgende toelichting van de minister ten aanzien van Artikel II (derde nota van wijzigingen, Kamerstukken II, 1978-1979, 14 333, nr. 14, blz. 9): “Ten aanzien van uitkeringen toegekend of toe te kennen uit hoofde van een ontslag of aftreden voor het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet, blijven de voor dat tijdstip geldende bepalingen […] van kracht […]. Evenmin vindt ten aanzien van deze gevallen pensioenopbouw gedurende de uitkeringstijd plaats, omdat de voorgestelde beperkingen van de pensioenopbouw op deze gevallen geen invloed zal hebben.” De overgangs- en slotbepalingen van de Appa (oud) zijn helder en dwingend geformuleerd. Nu aan appellant een wachtgelduitkering is toegekend vóór de inwerkingtreding van de Appa (oud), is de wijziging inzake het opbouwen van pensioen gedurende de wachtgeldperiode over de periode van 5 september 1978 tot 7 september 1982 niet van toepassing. 3.
  17. Daarnaast heeft appellant in beroep betoogd dat verweerder bij het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met het verbod op reformatio in peius en dat dat besluit om die reden in strijd is met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betoog treft evenmin doel. Het verbod op reformatio in peius verzet zich niet tegen de beëindiging van de uitkering van appellant met ingang van een datum in de toekomst, omdat verweerder ook los van het ingediende bezwaar bevoegd was de uitkering van appellant te beëindigen. Er is derhalve geen strijd met dat verbod. Dat verweerder de uitkering uit coulance had toegekend, leidt niet tot een ander oordeel. 3.
  18. Uit 3.3 en 3.4 volgt dat het beroep niet slaagt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
  19. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart
  20. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) J. Tuit HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.