← Nederland

ECLI:NL:CRVB:2018:853

167120 AOR Datum uitspraak: 22 maart 2018 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P. Lesquillier, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 oktober 2016, kenmerk BZ01102100 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari

  1. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lesquillier. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L. van der Wiel. OVERWEGINGEN 1.
  2. Appellante, geboren in 1936, heeft in juli 2015 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR. 1.
  3. Bij besluit van 5 januari 2016 heeft verweerder appellante aanvaard als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR. Vastgesteld is dat zij oorlogsletsel (psychische klachten) heeft als gevolg waarvan sprake is van ongeschiktheid voor het verrichten van passende arbeid voor 30%. Aan appellante is een onder meer een invaliditeitsuitkering toegekend. 1.
  4. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
  5. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling. 2.
  6. Voor het oordeel omtrent de namens appellante gestelde onbevoegdheid van de geneeskundig adviseurs van verweerder om DSM-diagnoses te stellen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden in het geding tussen appellante en verweerder, nummer 16/6694 Wubo. 2.
  7. Het standpunt van verweerder is in eerste instantie gebaseerd op een door de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, arts, uitgebracht advies dat tot stand is gekomen na een persoonlijk onderhoud dat deze arts met appellante heeft gehad. Ohlenschlager heeft geconcludeerd dat bij appellante sprake is van een PTSS en een angststoornis NOA, naast cluster B en C persoonlijkheidstrekken. Zij heeft vastgesteld dat appellante beperkingen ondervindt in vier van de aan de American Medical Association (AMA) ontleende rubrieken en qua invaliditeit dient te worden ingedeeld in klasse III (50%). De helft van deze invaliditeit achtte zij een gevolg van de in het kader van de AOR in aanmerking te nemen oorlogsomstandigheden, zodat zij tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 heeft geadviseerd. 2.
  8. Verweerder heeft het bezwaarschrift voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur, R.J. Roelofs, arts. Deze arts heeft het advies van Ohlenschlager onderschreven. 2.
  9. De Raad acht het bestreden besluit met deze adviezen zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. Door appellante zijn geen medische gegevens aangedragen op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 dat beleidsmatig wordt afgerond naar
  10. In beroep is verwezen naar de bevindingen van drs. E. Boumans (gestalttherapeut/andragoloog) maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de door verweerder, in navolging van zijn geneeskundig adviseurs, aangenomen causale arbeidsongeschiktheid is ondergewaardeerd. Boumans benoemt sequentiële traumatisering en betrekt daarbij ook de niet onder de AOR vallende gebeurtenissen. De bevindingen van Boumans geven onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de psychische klachten voor meer dan 50% aan de oorlogservaringen moeten worden toegeschreven. Ook zijn de AMA-beperkingen van appellante door Boumans niet inzichtelijk gemaakt. Verder is betoogd dat reden is voor 100% algemene en beroepsinvaliditeit, althans hoger dan 50%, gezien het feit dat er sprake zou zijn geweest van een volledige arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering. Gegevens hierover ontbreken echter. Verweerder heeft overigens ook aangenomen dat appellante al voor haar 70e jaar arbeidsongeschikt was. 2.
  11. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart
  13. (getekend) B.J. van de Griend (getekend) A.M. Pasmans HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.